Zonnig Nederlands

Twintig jaar wordt er al gediscussieerd over nieuwe Antilliaanse lesmethoden. Maar zolang nog niet beslist is of het onderwijs in het Nederlands, het Papiaments of het Engels moet worden gegeven, moeten de leerlingen het met verouderde boekjes doen.

Uitgelaten slaat de directeur van de LTSeen arm om zijn oude schoolkameraad en drukt hem nog eens stevig tegen zich aan: "Wij hebben veertig jaar geleden bij de fraters nog een hoofdrol in het toneelstuk "De bosgeestjes' gespeeld.' Gezamenlijk heffen ze het glas op de fraters en de zusters. "Toen werd er op de Antillen nog behoorlijk onderwijs gegeven", toost de directeur. "Ze waren streng, maar je leerde veel van ze.'

Op vrijdagavond danst en drinkt hij op het happy hour van een hotel net buiten Willemstad de problemen van zich af. Even zet hij de belabberde prestaties van zijn leerlingen uit z'n hoofd en vergeet hij de lamentabele staat van zijn schoolgebouw. Het orkest speelt opzwepende bossanova's, op de volle dansvloer regeert het ritme van de heupen.

Antillianen die zelf een goede maatschappelijke positie hebben verworven spreken vrijwel zonder uitzondering met weemoed over de tijd dat de zusters en fraters van Tilburg en Schijndel het onderwijs bestierden. Als je het waagde om in de klas of op het schoolplein Papiaments te spreken kreeg je er meteen van langs. Maar dankzij dit regime hebben zij wel goed Nederlands geleerd en dat kun je van de hedendaagse jeugd niet meer zeggen.

Dat het Antilliaanse onderwijs te maken heeft met ernstige vormen van achterstallig onderhoud ontkent niemand op de eilanden. Waar het overheidsgeld ook terecht mag zijn gekomen, in elk geval niet bij de scholen. Maar dat is niet de enige reden waarom het er volgens velen een "rotzooitje' is. De verlammende besluiteloosheid over de voertaal in het onderwijs heeft twintig jaar lang elke poging tot vernieuwing in de kiem gesmoord. Zolang deze discussie voortduurt wordt er niet genvesteerd in Antilliaans lesmateriaal dat aansluit bij de belevingswereld en de cultuur van de kinderen. Want in welke taal zouden die nieuwe methodes moeten verschijnen? In het Nederlands? Papiaments? Engels? Het lijkt wel of het onderwijs sinds het uitsterven van de zusters en fraters stil is blijven staan.

Zonnig Nederlands, een taalmethode uit 1954 - toen pionierswerk van de fraters, nu didactisch volkomen achterhaald - wordt bij gebrek aan een eigentijds alternatief op veel lagere scholen nog steeds gebruikt. Herdrukt worden de boekjes al jaren niet meer, kinderen en leraren moeten zich tevreden stellen met fotokopiën of beduimelde uit elkaar geval exemplaren die met plakband bij elkaar worden gehouden. Rekenmethode De Grondslag, 34ste druk derde oplage, verspreidt eveneens een zware jaren vijftig-geur.

Wie de lagere scholen op de Antilliaanse eilanden bezoekt, krijgt het gevoel in een onderwijskundig openluchtmuseum te zijn beland. Door de openstaande ramen klinkt het zangerige opdreunen van rijtjes en in de klaslokalen staan de tafeltjes achter elkaar in het gelid. Klassikaal en frontaal is nog steeds het didactisch principe en de leerlingen, veelal in schooluniform gestoken, worden nog ouderwets gedrild. Als de bel gaat gaan ze keurig in de rij staan; jongens bij jongens en meisjes bij meisjes. Het mogen uiterlijkheden lijken die zelfs nog wel vertederende herinneringen oproepen, maar de cijfers spreken andere taal: 70% van de Antilliaanse lagere schoolleerlingen haalt de eindstreep niet zonder zittenblijven, in de vijfde klas loopt het aantal drop outs - vooral jongens - op tot gemiddeld 7,5%, en 50% van de leerkrachten is zeer pessimistisch gestemd over het onderwijspeil. Als de drie meest acute problemen noemen zij het gebrek aan moderne leermiddelen, de strijd over de voertaal en de slechte staat waarin schoolmeubilair en gebouwen verkeren. De voormalige Antilliaanse minister van Onderwijs, drs. ing. C.G. Smits die deze cijfers in een Beleids-en aktiedocument (1992) verzamelde en vlak voor zijn aftreden publiceerde, spreekt van "een gevoel van machteloosheid', want, zo gaat hij verder, "deze problemen zijn dermate omvangrijk dat ze ons overweldigen.' Op de valreep is hij bereid de hand in eigen boezem te steken: "Vooral bij dieperliggende problemen hebben wij de neiging weg te vluchten in elkaar opponerende oplossingen: alles moet veranderd worden of we houden ons alleen bezig met symptoombestrijding.'

Inclusief de verzuiling

Het onderwijs op de Antillen werd nadat de schoolstrijd in 1917 was beslecht volgens Nederlands model ingericht, inclusief de verzuiling en de vrijheid van onderwijs. Generaties Antilliaanse kinderen hebben geleerd dat de Rijn bij Lobith ons land binnenstroomt en dat Willem van Oranje in 1584 in Delft werd vermoord. De Mammoetwet uit 1968 is de laatste grote onderwijsvernieuwing die de eilanden automatisch gevolgd hebben. De basisschool, daar is het nooit meer van gekomen, zodat er nog over klassen wordt gepraat en de kleuterschool nog gewoon intact is. Dat Nederlands de voertaal is op school is lange tijd door iedereen als vanzelfsprekend beschouwd. Thuis en op straat sprak men Papiaments (Aruba, Curaçao en Bonaire) of een Carabische variant van het Engels (St. Maarten, St. Eustatius en Saba).

Daarin kwam verandering toen eind jaren zestig de relatie met Nederland begon te bekoelen en de roep om autonomie luider werd. Nederlands werd de taal van de kolonisator en het Papiaments, tot dan toe neerbuigend beschouwd als een "mengelmoes-taaltje' won snel aan prestige. Ook in de hogere sociale klassen en bij officiële gelegenheden werd steeds vaker Papiaments gesproken. En als de media daarna overschakelen op Papiaments, is de rol van het Nederlands in het openbare leven vrijwel uitgespeeld. Behalve op één terrein: het onderwijs. Immers, wie verder wil komen moet overzee gaan studeren, Nederland blijft voor de meeste Antillianen de toegangspoort tot de wereld.

Vanaf 1968 verschijnen de eerste voorstellen om het onderwijs te ontdoen van zijn koloniale erfenis en de kinderen in hun moedertaal - dat willen zeggen in het Papiaments of Engels - les te gaan geven. Dat betekent meer Antilliaanse leerkrachten voor de klas en eigen lesmethodes om vakken als aardrijkskunde, geschiedenis en biologie vanuit een Antilliaans perspectief te kunnen onderwijzen.

Maar de emoties zitten diep. Voor- en tegenstanders van de "moedertaal-scholen' raken verstrikt in een onverzoenlijke strijd en de politiek is niet bij machte om krachtige besluiten te nemen, laat staan om ze uit te voeren. Het rooms katholiek Centraal Schoolbestuur met ongeveer driekwart van alle scholen onder zijn hoede, toont zich een machtig verdediger van het Nederlandstalig onderwijs. De radicale vakbond Sitek daarentegen wil dat het Nederlands uit de scholen verdwijnt. De houding van de Antillianen uit de sociaal-culturele bovenlaag is op z'n minst ambivalent te noemen. Ook al pleiten ze voor onderwijs met een eigen Antilliaanse signatuur, Nederlands blijft voor hen de taal van het succes. En dat willen ze hun eigen kinderen niet onthouden.

Alleen het keline Saba

Paradoxaal genoeg heeft alleen het kleine Saba, dat nooit zonder Nederland zal kunnen, het kloeke besluit genomen om de kinderen in hun moedertaal te onderwijzen. Op de Sacred Heart School, de enige lagere school van het eiland, wordt sinds 1986 in het Engels les gegeven en ook het voortgezet onderwijs op de Saba Comprehensive School is nu geheel engelstalig. De mogelijkheden om in Nederland verder te studeren zijn met dit besluit afgesneden, maar daarvan werd toch al weinig gebruik gemaakt door de Sabanen. Voor zijn leerlingen is Nederland zoiets als een sprookjesparadijs, vertelt schoolhoofd Hemmie van Xanten. Toen er eind vorig jaar ook nog een echte koningin naar Saba kwam was het beeld helemaal compleet. Sindsdien zingt de honderdkoppige schoolbevolking bij de weekopening niet alleen het volkslied van Saba maar ook het Wilhelmus.

Het Nederlands is overigens niet helemaal uit de school verbannen, elke dag wordt er minstens drie kwartier voor uitgetrokken. Maar over het effect van die inspanning maakt het uit Nederland afkomstige schoolhoofd zich niet al te veel illusies: "In de zesde klas bereiken we als het meezit het niveau dat in Nederland door negenjarige vijfdegroepers wordt gehaald. Slechts een enkeling heeft er wat aan.' Dat blijkt wel als hij even later voor de derde klas staat en het verschil probeert uit te leggen tussen korte en lange o-, a- en e-klanken. Kaal, kool en keel, zeggen de kinderen hem braaf, maar zonder al te veel geestdrift na. Ook het rijmpje: Aaltje zat op een paaltje, krak zei het paaltje en weg was Aaltje, gaat hun voorstellingsvermogen duidelijk te boven. Leuk wordt het pas als ze op de video naar het kleuterprogramma Sesamstraat mogen kijken. Enthousiast zingen ze het beginliedje mee, maar als daarna een mevrouw met een Belgisch accent een verhaaltje vertelt zijn ze al snel het spoor bijster. Ze veren pas weer op als Frank een liedje zingt over lichaamsdelen. Wanneer hij daarbij een glimp van zijn blote billen laat zien reageren de kleine Sabaantjes eerder verbijsterd dan geamuseerd.

"Zonnig Nederlands' is op Saba bij het vuilnis gezet. Die luxe kon de school zich permitteren toen op voorspraak van minister Hirsch Ballin extra geld werd vrijgemaakt om de in zijn ogen goed georganiseerde school van leermiddelen te voorzien. Door dit gulle gebaar is de Sacred Haert School een van de weinige scholen op de Antillen die goed in z'n spullen zit en niet de plaatselijke winkeliers langs hoeft om geld op te halen. De taalmethode die Van Xanten gebruikt om zijn leerlingen Nederlands te leren is uit Rotterdam afkomstig en speciaal ontwikkeld voor allochtone kinderen. Niettemin is het niveau te hoog. Nederlands is voor de Antilliaanse kinderen geen tweede taal, zoals voor de allochtone kinderen in Nederland, maar een vreemde taal, die ze behalve uit de mond van meester Van Xanten nergens anders horen. Iedere taalkundige kan uitleggen dat het leren van een vreemde taal al een heel andere aanpak vereist dan het leren van een tweede taal. Maar een kind leren lezen en schrijven in een vreemde taal alsof het zijn moedertaal is, is een onderwijskundige gruwel met rampzalige gevolgen. Het is helaas de dagelijkse praktijk voor veel Papiaments-sprekende kinderen op de Benedenwindse eilanden Aruba, Curaçao en Bonaire. Geen wonder dat in de eerste klas van de lagere school een op vier à vijf kinderen blijft zitten, zoals blijkt uit de cijfers die voormalig onderwijsminister Smits heeft verzameld. Een onaanvaarbaar grote groep kinderen kan de lessen gewoon niet volgen en verlaat vroeger of later gedesillusioneerd de school. Hoe het deze groeiende groep van drop outs verder vergaat is de afgelopen maanden uitvoerig in alle media aan de orde gekomen.

Al in 1976 werd deze schizofrene taalsituatie in het door Unesco uitgebrachte rapport Education, Issues en priorities bekritiseerd: kinderen hebben recht om in hun eigen moedertaal te leren lezen en schrijven. Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om ervoor te zorgen dat er goed opgeleide leerkrachten en geschikte leermiddelen zijn.

De cijfers die oud-minister Smits in zijn actiedocument presenteert zijn weliswaar schokkend maar niet nieuw, zegt A. Jean Pierre, hoofd Dienst Onderwijs van het eilandgebied Curaçao. "Iedereen weet dat al jaren.' Op zijn bureau ligt de nog interne nota De nieuwe Curaçaose basisschool, waarin een rigoureuze modernisering van het lager onderwijs wordt bepleit. "Er vallen teveel slachtoffers', stelt Jean Pierre vast en hij is er van overtuigd dat de nood in het onderwijs nu zo hoog gestegen is dat dat er met zijn nota goede zaken gedaan kunnen worden.

Het voorstel is om op de kleuter- en lagere school in het Papiaments te beginnen zodat kinderen in hun moedertaal leren lezen en schrijven. Na de derde klas schakelen de kinderen over op het Nederlands en in de hoogste klassen lopen het Papiaments en het Nederlands naast elkaar. Eis van het rooms katholieke schoolbestuur is dat de kinderen aan het eind van de lagere school het Nederlands zo goed onder de knie hebben dat ze de stap naar het Nederlandstalige voortgezet onderwijs zonder problemen kunnen maken. Hoe deze lingustische pirouette in de dagelijkse praktijk uitgevoerd moet worden, is vraag twee. Op St. Maarten waar de kinderen al jaren volgens eenzelfde systeem halverwege de lagere school van Engels op Nederlands overstappen, zijn de resultaten weinig hoopgevend. De kinderen beheersen nu aan het eind van de rit twee talen gebrekkig, zodat verder leren zowel in het Engels als in het Nederlands een probleem wordt.

Rie Monte, lerares Nederlands, Engels en maatschappijleer op het Maria College, een van de dertien Mavo's op Curaçao heeft soms diep medelijden met haar leerlingen. Uit een leestest die in de brugklas werd uitgevoerd bleek dat veel leerlingen niet boven het niveau uitkomen van tienjarige zesdegroepers in het Nederlandse basisonderwijs. Veel brugklassers hebben nog nooit zelfstandig een boek gelezen, hoe klein en hoe eenvoudig ook. "Hoe kan ik van deze leerlingen verwachten dat ze voor hun eindexamen acht Nederlandse romans gelezen hebben, dat ze kunnen tekstverklaren, een opstel kunnen schrijven?', vraagt Rie Monte zich wanhopig af. Ze mag het misschien niet hardop zeggen, maar de normen die zij hanteert bij het nakijken zijn niet te vergelijken met die in Nederland. En dan nog hebben maar vier of vijf kinderen van een klas van dertig een voldoende. Leerlingen die twee keer in het lager onderwijs en nog eens twee keer op de MAVOblijven zitten zijn geen uitzondering, soms zijn ze ouder dan twintig als ze de school verlaten. Iets meer dan helft van de leerlingen slaagt voor het eindexamen. Het onderwijs is haar grote liefde en ze houdt van haar leerlingen, maar het is vechten tegen de bierkaai. Pennen, potloden, tipp-ex en paperclips koopt ze in het groot en op eigen kosten aan het begin van het jaar in, want de school heeft daar geen geld voor en de leerlingen evenmin. Haar lessenaar loopt bijna de klas uit vanwege de witte mieren, en om dezelfde reden willen de leerlingen voor geen goud meer iets uit de kast pakken. Op allerlei manieren probeert ze geld bij elkaar te toveren om leesboeken voor de bibliotheek te kopen en Nederlands gesproken cassettes te krijgen. De lesmethodes die Rie Monte gebruikt stammen nog uit de tijd dat ze zelf op school zat. Te moeilijk voor de kinderen, waardoor het tempo noodgedwongen laag is. "Je moet dan kiezen', legt ze uit, "of we doen alles goed en komen dit jaar niet verder dan hoofdstuk vijf, of we slaan de helft over.'

Hoe je het ook aanpakt, zegt Monte, het onderwijspeil gaat verder naar beneden want Nederlands is voor de kinderen een dode taal. Het verbaast Rie Monte niet dat de gemiddelde leerling een verschrikkelijke hekel aan taal heeft. "Het is ook niet eerlijk om Antilliaanse kinderen die hier zijn opgegroeid te verwijten dat ze slecht Nederlands spreken.'

Op St. Maarten zijn de problemen met de taal even naar de achtergrond gedrongen want op dit moment is het de leerplichtwet die de gemoederen bezighoudt. Tot nu toe hadden kinderen het recht om naar school te gaan, maar van leerplicht was geen sprake, temeer daar niemand wist hoe je daaraan sancties moest verbinden. Hoofd Dienst Onderwijs van het eiland, A. Groeneveldt, zit behoorlijk in z'n maag met de leerplichtwet die volgens de landsregering in Curaçao komend schooljaar op alle Antilliaanse eilanden moet zijn ingevoerd. De capaciteit van de scholen op St. Maarten is nu al niet voldoende om alle kinderen een plaatsje in de schoolbanken te garanderen. Hij schat dat op dit ogenblik ruim honderd kinderen in de schoolgaande leeftijd niet naar school kunnen vanwege plaatsgebrek. Sommigen blijven noodgedwongen langer op de kleuterschool, waar ze met kop en schouders boven de andere kinderen uitsteken.

En dan heeft Groeneveldt het nog niet eens over de kinderen van de illegale bevolking, die - aangetrokken door de toeristenindustrie - inmiddels zeker zo groot is als de oorspronkelijke populatie van het eiland. Iedereen is bang dat als de leerplicht wordt ingevoerd nog veel meer Spaans- en Frans-sprekende kinderen van de omliggende eilanden naar St. Maarten zullen worden gehaald. Waar blijven deze kinderen als ze niet in het reguliere onderwijs terecht kunnen? Groeneveldt: "Er zijn verschillende illegale schooltjes op het eiland waar bijvoorbeeld Hatianen of Dominicanen zelf hun kinderen lesgeven. Maar er zijn ook kinderen die op straat rondzwerven of kleine baantjes hebben bij tankstations en supermarkten.' Omdat veel illegalen bang zijn om opgepakt te worden verplaatsen de huiskamerschooltjes zich nog al eens en zijn ze moeilijk te traceren. Om hoeveel schooltjes en hoeveel kinderen het gaat weet niemand precies. "Wij zullen het door de vingers moeten zien', zegt Groeneveldt gelaten, "een alternatief hebben we niet voor deze kinderen.'

Voor de deur

Je kind inschrijven voor een kleuter- of lagere school is een groot probleem, vertelt Merlese Lake, adjunct-hoofd van de katholieke Sister Marie Laurence School in Philipsburg, de hoofdstad van St. Maarten. "Als 's middags om twee uur de inschrijving begint, zitten ouders 's morgens om vijf uur al op een stoeltje voor de deur.' Hoe het moet als ook de illegale kinderen onder leerplicht gaan vallen? Ze heeft geen idee.

Kay de la Rosa, hoofd van de verderop gelegen openbare Oranjeschool denkt dat de wet uiteindelijk niet zal worden ingevoerd. "Leerplicht kan hier niet', zegt ze, "dat zal tot regelrechte chaos leiden.' Vorig jaar heeft ze een hele groep kinderen moeten weigeren omdat ze geen plaats meer heeft in haar 140 jaar oude schoolgebouw. "De overheid heeft het te druk met regeren om nog tijd te hebben voor de problemen in het onderwijs', zo luidt haar cynische oordeel. Ze vertelt hoeveel moeite ze moet doen om schriften, pennen en andere schoolspullen die je dagelijks nodig hebt te krijgen. Voor grotere investeringen, zoals nieuwe lesmethodes en leesboeken, moet de school aan fundraising doen.

Tweede Kamer

In de nota Samenwerken op het terrein van onderwijs, die afgelopen week naar de Eerste en Tweede Kamer is gestuurd, wordt wordt de toestand geschetst waarin het onderwijs op de Nederlandse Antillen en Aruba verkeert. Tussen de 300 en 400 miljoen is er volgens de nota nodig alleen al om "(...) de achterstanden op het gebied van onderwijsmethoden, gebouwen en inventarissen weg te werken c.q. op een acceptabel uitgangsniveau te brengen.' Samensteller van de nota is A. de Jager, inspecteur-generaal van het onderwijs, en vanaf september adviseur van de Nederlandse regering op het terrein van onderwijsvernieuwing op de Nederlandse Antillen en Aruba. In zijn nota pleit De Jager ervoor het onderwijs op de Antillen hoog op de prioriteitenlijst te zetten in het samenwerkingsbeleid van Nederland. Dat is niet alleen goed voor de eilanden, maar dient ook een Nederlandse belang: "Zo kan Nederland bijvoorbeeld niet passief blijven wanneer grote aantallen Antilliaanse jongeren die opleidingen in Nederland volgen in de problemen komen. De kwaliteit van het onderwijs in de Antillen en Aruba is mede daardoor ook een zorg van Nederland.'

De voortvarendheid waarmee De Jager de oude aftandse boekjes wil vervangen door nieuwe lesmethodes, onderwijstelevisie met een Nederlandstalig aanbod wil realiseren, het beroepsonderwijs wil uitbreiden en moderniseren en vooral beter wil laten aansluiten op de arbeidsmarkt wordt met name op Curaçao met de nodige argwaan bekeken. Men is bang dat Nederland weer de dienst komt uitmaken en dat de zeggenschap van de op Curaçao gevestigde landsregering nog verder afbrokkelt, omdat De Jager met de eilanden afzonderlijk afspraken maakt over onderwijsvernieuwing. Bonaire en Aruba en ook de Bovenwinden zijn veel toeschietelijker en zien deze houding rijkelijk beloond met nieuwe taal- en rekenmethodes en nieuwe inventarissen voor het beroepsonderwijs. De leraren zijn dankbaar dat er eindelijk eens nieuwe leermiddelen komen en voor de kinderen zijn mooie in kleur uitgegeven schoolboeken natuurlijk ook aantrekkelijker dan de grijsgekopieerde velletjes. Maar zullen ze over een paar jaar ook nog blij met een Tweedetaalmethode als Taal Kabaal, bedoeld voor allochtone kinderen in Nederland? Of met een realistische rekenmethode waar de kinderen niets van snappen omdat het Nederlands van de redactiesommen ze boven de pet gaat?

Dat er iets moest gebeuren was duidelijk, maar met de invoering van deze methodes ligt het taal- en rekenonderwijs weer voor zeker vijftien jaar vast. Generaties kinderen op de Antillen zullen weer opgroeien met herfst, regen en spreeuwen en zinnetjes als "het vliegtuig landt op Zestienhoven' en "ik rijd op de ijsbaan'. De harde noodzaak om met alle eilanden samen in Antilliaans lesmateriaal te investeren is weer even van de baan.

Twintig jaar discussieren over de voertaal in het onderwijs mag dan in de ogen van nuchtere Hollanders niet bijster efficiënt zijn, misschien heeft Curaçao niet helemaal ongelijk als ze het onderwijs op haar eigen manier wil inrichten.