Zakenlui en zakenkabinetten

Voor zakenlui en handelslieden koester ik de grootst mogelijke bewondering.

Zij doen iets dat ik zelf nooit zou kunnen: dingen maken en ze ook nog verkopen. Vooral dat laatste, daar gaat het om. Iets maken zou ik misschien zelf ook nog wel kunnen. Maar iets verkopen! Ik geloof niet dat ik iets vernederender vind dan welke waar dan ook aan de man te brengen. Ik betaal altijd wat men vraagt, neem genoegen met wat men geeft en zou niet weten hoe je korting moet vragen, laat staan krijgen. Iets ruilen in de winkel heb ik nog nooit gedurfd en iets teruggeven al helemaal niet. Eens heb ik een huis moeten verkopen, om de eenvoudige reden dat wij een ander huis wilden kopen. Het waren vreselijke weken. Nog altijd herinner ik mij potentiële kopers die misprijzende woorden over de keuken, de wc en de dakgoot zeiden in de verwachting daarmee de prijs omlaag te krijgen. Ik ben kortom voor het zakenleven volstrekt ongeschikt en heb medelijden met de mensen die op deze wijze aan de kost moeten komen.

Toch weet ik dat velen hierin juist aardigheid hebben. Duizenden mannen genieten van het handeldrijven. Ons land is er groot door geworden. Duizenden vrouwen scheppen genoegen in koopjes en afdingen en dragen op die wijze bij tot onze welvaart. Vaak hoor je ze enthousiast vertellen over het "Oosten' - dat in dit geval al in Griekenland begint -, omdat je daar kunt afdingen, nee moet afdingen want je moet "ze nooit geven wat ze vragen'. Het gaat hierbij natuurlijk niet om het geld maar om "het spel' en de oosterling zou zelf niet anders willen. Hij zou zelfs beledigd zijn als je het niet deed. Mij komt zo'n wereld voor als een volstrekte nachtmerrie en onder mijn dagelijkse vreugden neemt het feit dat alles hier een vaste prijs heeft een grote plaats in. Als het aan mij lag, werden de uitverkoop, de voorverkoop en iedere vorm van korting of aanbieding wettelijk verboden.

Aangezien je nu eenmaal altijd mensen bewondert die iets kunnen dat je zelf niet kan (loodgieters, goochelaars, gebedsgenezers) koester ik een grote bewondering voor handelaars, fabrikanten en kooplieden. Ik heb dus niets tegen ondernemers, integendeel. Ik bewonder ze, want ze hebben een hard en moeilijk beroep. Als ze het goed doen, vallen geld en lofprijzingen hun in ruime mate ten deel, maar als ze het slecht doen staan ze op straat. Althans dat dacht ik tot voor kort, maar de laatste tijd krijg ik de indruk dat het toch wat anders toegaat in ondernemersland.

Als het goed gaat, zegt de ondernemer, dan komt dat door mij. Ik neem de goede investeringsbeslissing, zag het gat in de markt, greep op tijd de juiste kansen, trok de goede mensen aan enzovoorts. Ik zorg dus voor de winst en heb daarom recht op een hoog salaris, een goed pensioen, een stuk van de winst: een bonus, tantième, opties. Ik moet mijn tijd efficiënt besteden en heb dus recht op een auto met chauffeur, een chauffeur met een pak, een pak met een pet. En ik moet mij goed ontspannen want ik werk zo hard. En ik heb dus recht op een jacht met een kapitein, een dagje naar Davos, een congresje in Cannes, een seminar in Semiramis, eten van de zaak, een hotel van de zaak, drank van de zaak, golf van de zaak, dames van de zaak. En mijn werk is van veel belang voor het land. Dus ik wil een ridderorde, een eredoctoraat, een professoraat in de weetnietkunde. Zo gaat het en ik ben het daar helemaal mee eens.

Maar nu het vreemde. Met verschillende bedrijven gaat het slecht, met sommige heel slecht, met enkele zelfs buitengewoon slecht. Ze ontslaan mensen, gaan bijna failliet, worden overgenomen door andere, gered door de staat of iets dergelijks. Als je aan de leiders van die bedrijven vraagt hoe dat komt, hoor je nooit dat dat door hen komt. Het ligt aan alles, maar nooit aan de leiding. De conjunctuur stortte in. De nieuwe aanwinst leek zo goed, maar bleek zo slecht. Die grote aankoop bleek een grote miskoop, maar dat kwam omdat de accountants het verkeerd hadden berekend. Het buitenland werkte tegen. De Amerikanen zijn ordinair, de Japanners gemeen, de Duitsers grof. De overheid heeft de schuld. De Europese Commissie is dom, de regering kortzichtig. De vakbonden lagen weer dwars. Toen ging de dollar omlaag en de olieprijs omhoog en toen kwam ook nog die natte winter en daarna die droge zomer. Alles zat tegen, maar aan mij lag het niet. Nee hoor, zeggen de commissarissen dan, aan jou lag het niet. Hier is alvast een gouden handdruk, straks krijg je je pensioen, die auto mag je houden, die decoratie krijg je volgend jaar en wij kijken uit naar een staatscommissie of een adviseurschap. O ja, je krijgt ook nog een mooi afscheidsfeest en tuinstoelen om samen met je vrouw te genieten van deze nieuwe fase in je leven.

Zo gaat het en zo hoort het kennelijk. Ik vind het een beetje vreemd maar van mij mag het, al las ik tot mijn genoegen vorige week in deze krant dat F. Bolkestein het ook een beetje vreemd vindt. Wat ik echter niet goed begrijp, is waar juist bij dit soort ondernemers de neiging vandaan komt om vervolgens te gaan vertellen dat zij eigenlijk de leiding zouden moeten hebben niet alleen over hun eigen bedrijf, maar over het land, Europa, de wereld. Vandaar mijn verbazing dat uitgerekend iemand als Wisse Dekker meent dat een zakenkabinet of liever een kabinet van zakenlieden ons land voor de ondergang zou kunnen behoeden. Het zou zeker niet moeilijk zijn een aantrekkelijke en bekwame regeringsploeg van ex-ondernemers samen te stellen: Udink op VROM, Stikker op Waterstaat, Bouw op Verkeer, Baan (van DAF) op Buitenlandse Zaken (die vliegt toch al graag), Van der Klugt op Economische Zaken, Swarttouw op Cultuur, de NMB-bankiers op Financiën en Dekker zelf premier, want het was ten slotte zijn idee. Het zijn maar een paar suggesties.

Het zou kunnen, maar het is toch misschien niet zo'n goed idee. Iedereen mag natuurlijk over alles meepraten maar als je jarenlang gezegd hebt dat Stalin een groot democraat was, Mao een groot roerganger en Ceaucescu een groot Conducator, dan is het toch beter het een tijdje wat rustiger aan te doen. Mensen onder wier leiding ondernemingen in grote moeilijkheden zijn geraakt, duizenden mensen hebben moeten ontslaan en aan de rand van de afgrond zijn terecht gekomen, zouden er misschien verstandig aan doen de ambitie om het land te leiden even in de ijskast te zetten.

In de politiek is het immers nog altijd zo dat politici verantwoordlijk worden gehouden voor falend beleid. Ook als zij strikt genomen niet schuldig zijn, zijn ze toch verantwoordelijk. Daarom treden ministers en wethouders wel eens af, ook al gaat het eigenlijk om fouten van hun voorgangers. In ondernemerskringen is dit kennelijk ongebruikelijk. Misschien moeten de Dekkers van deze wereld daarom nog eens nadenken voor ze zich aanbieden om in dit land orde op zaken te stellen.