Wij zijn niet meer ontroerd als Tollens wordt voorgedragen

Bij het Plein 1813 in Den Haag, mijn woonstad, is een tramhalte. Wanneer ik daar opstap, kijk ik nooit in de richting waarheen ik moet. Maar altijd achterom, in de richting vanwaar lijn acht zal komen. Wellicht doen andere mensen dat ook. Zouden wij meer aan het verleden denken dan wij ons realiseren?

Het monument op Plein 1813 vormt een goed uitgangspunt voor terugblikken. Het werd onthuld vijftig jaar na het herstel van onze onafhankelijkheid. Kennelijk bestond er toen behoefte aan het vasthouden van de herinnering aan die belangrijke gebeurtenis.

In 1995 zal worden herdacht dat vijftig jaar geleden Nederland werd bevrijd. Ongetwijfeld zal de vraag worden gesteld wat de zin is van herdenkingen, zeker wanneer men beseft dat dan ook 1795 herdacht zal worden. De vraag die men zich zou moeten stellen is echter: wat is de behoefte aan herdenken? En verder doorgetrokken: wat is de behoefte aan geschiedenis?

Plein 1813 in Den Haag heeft allure. Brede toegangswegen, omzoomd met kastanjebomen en een indrukwekkend monument dat zo nauw met de geschiedenis van onze onafhankelijkheid en nationaal bewustzijn is verbonden. Toch is het op 4 mei 1993 op dit plein stil gebleven. De aandacht ging toen uit naar de Dam in Amsterdam, dat morsige plein met het nationaal monument.

Is Plein 1813 wat uit het zicht geraakt? Loont het nog de moeite aandacht te schenken aan de eerste decennia van de negentiende eeuw? Zegt men "neen', dan is eenzelfde ontkenning reeds weggelegd voor de periode 1940- 1945.

De oprichting van het monument op dit fraaie Haagse plein is ontstaan uit de behoefte de herinnering aan de jaren 1813-1815 vast te houden. De eerste steen werd gelegd in 1863 - derhalve vijftig jaar na dato -, en de laatste steen in 1869 toen het monument werd onthuld. Een halve eeuw had de herinnering nog lang niet weggevaagd, zoals ook bleek uit een reünie in Leiden, gehouden op 27 juni 1865 voor de oud-strijders. Deze reünie werd bijgewoond door 2105 genodigden.

Dat was echter nog niet alles. In datzelfde jaar was een herinneringsteken - het Zilveren Kruis - ingesteld. Dit zou aan zesduizend oud-strijders worden uitgereikt. In 1980 werd het Verzetsherdenkingskruis ingesteld, een herinneringsteken voor oud-verzetsstrijders uit 1940-1945. Aan ruim 15.000 van hen zou het worden toegekend. Ook hier zien wij dat lang na de gebeurtenissen de behoefte aan herinnering aanwezig was.

Overigens zegt de oprichting van het monument op Plein 1813 ook nog iets over de jaren zestig van de negentiende eeuw. Men keek met achterdocht naar de expansionistische neigingen van onze oosterburen en de Luxemburgse kwestie voorspelde weinig goeds. Daardoor kwam het goed van pas de Nederlandse onafhankelijkheid en het nationale gevoel duidelijk tot uitdrukking te brengen.

De jaren 1813-1815 zijn voor onze staatkundige en militaire geschiedenis van groot belang geweest. Voor wat betreft de doorwerking is het interessant te bedenken dat bij de Grondwet van 1814 de militaire dienstplicht werd ingevoerd. Dat had wat voeten in de aarde, want de Franse conscriptie en de Nederlandse deelname aan de veldtocht naar Rusland van Napoleon had een bittere nasmaak achtergelaten. Derhalve was bepaald dat Nederlandse dienstplichtigen nimmer buiten de landsgrenzen mochten worden ingezet. Deze bepaling kwam nog in 1946 ter sprake toen het erom ging Nederlandse dienstplichtigen naar het voormalig Nederlands-Indië te sturen. Voor de mensen van 1814 moet de invoering van de dienstplicht een spraakmakende gebeurtenis zijn geweest. Misschien wel even spraakmakend als de afschaffing ervan in onze dagen.

Wanneer de innerlijke behoefte aan geschiedenis een onvoldoende argument is om dit vak te koesteren en pure fascinatie geen uitgangspunt mag zijn, is er nog het nut van geschiedenis.

In zijn verhandelingen over de oorlog schreef de Duitse generaal Clausewitz (1780-1831) dat de oorlog de voortzetting was van de politiek met andere middelen.

Menigeen kent deze regel en citeert hem met kennis van zaken zonder verder iets van Clausewitz te hebben gelezen. Dat is jammer, want in het tractaat "Over de oorlog' schrijft hij een boeiend hoofdstukje, getiteld "Over voorbeelden'. Het begint aldus: “Voorbeelden uit de geschiedenis maken alles duidelijk en bezitten daarnaast in de ervaringswetenschappen de grootste bewijskracht. Meer dan waar ook is dit in de krijgskunde het geval”.

Een geschiedkundig onderlegde persoonlijkheid als Charles de Gaulle zal deze mening gedeeld hebben. Zo stelt hij in zijn boek "Vers l'armée de métier', verschenen in 1934, dat de militair uit het recente verleden lessen voor de toekomst moet trekken en dat men geleerd had van de Eerste Wereldoorlog.

Dit lijkt in tegenspraak met de bewering dat generaals, van huis uit conservatief, altijd de vorige oorlog willen uitvechten. Het tegendeel heeft zich ook voorgedaan. Ten tijde van de opkomst van de nucleaire oorlogsvoering is wel beweerd dat militaire geschiedenis zijn nut had verloren. Deze gedachtengang is inmiddels verdwenen. Trouwens, de huidige gebeurtenissen in de Balkan zouden twijfelaars wel in het voetspoor van Clio hebben teruggebracht.

Bij dit alles blijft het noodzakelijk oog te hebben voor de historische werkelijkheid en de beeldvorming, wanneer het gaat om het benutten van ervaringen uit het verleden. Prins Maurits geniet de reputatie door de bestudering van de Klassieken oplossingen voor eigentijdse problemen te hebben gevonden. Zo zou hij zijn legerorganisatie en tactiek hebben kunnen hervormen, met onder meer als eclatant succes de overwinning bij Nieuwpoort in 1600. Een hoogst studieuze en intellectuele Maurits aan de ene kant, en aan de andere kant Spanjaarden die geen notie hadden van de Klassieken? Kan men de Romeinse soldaat met zijn slag- en steekwapens en met zijn zware persoonlijke bagage vergelijken met de musketiers en piekeniers van Maurits?

Het trekken van lessen is sneller gezegd dan gedaan. Dat neemt niet weg dat men zonder voorkennis een zeer grote kans loopt de verkeerde weg in te slaan.

Wanneer wij nu in 1993 terugkijken naar 1940-1945 hebben wij wellicht dezelfde behoeften als de mensen uit 1865. Ook wij kunnen het verleden niet loslaten, omdat wij het nodig hebben. De manier waarop wij ons uiten is enigszins anders. Wij worden niet meer ontroerd, wanneer Tollens wordt voorgedragen, zoals dat in 1865 gebeurde. Wij hebben onze eigen dichters, maar ook zij zijn onderworpen aan de wetten van Vader Tijd.

Het recente verleden - is een halve eeuw nog recent te noemen? - raakt ons emotioneel. Wanneer onnadenkend of onachtzaam met ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog wordt omgesprongen, is het hek van de Dam. De oorlogsgeneratie verheft zijn stem, en als die zich niet meer laat horen dan nemen de naoorlogse generaties de rol van grootouders en ouders over. Toch is die hang naar het verleden meer dan louter een emotionele binding. Het is ook de ingewortelde behoefte te willen weten wat er vroeger is gebeurd, waar wij vandaan komen. En ook de behoefte om vast te houden wat ons dreigt te ontglippen. Achterom kijken is meer dan een aangename tijdpassering en meer dan uitzien naar een tram die op zich laat wachten.

    • C.M. Schulten