Strooilicht bij staarlijder nu aan bureau te meten

Mensen die verblind raken door de dimlichten van tegemoet komende auto's, die niets meer zien in donkere tunnelingangen, of tegen de laagstaande zon in, hebben last van strooilicht. Dat zorgt ervoor dat lichtzwakke beelden op het netvlies naast een felle lichtbron volledig overstraald worden. Het effect wordt vooral veroorzaakt door vuile autoruiten en vieze brilleglazen, maar ontstaat ook in de oogbol.

Staarlijders, of zij die beginnen er last van te krijgen, patiënten met een bifocale kunstlens, mensen die radiale keratotomie hebben ondergaan om van hun bril verlost te raken en - onderzocht in de VS - mensen die met een excimeerlaser hun oogbolling hebben laten corrigeren hebben meer last van strooilicht dan jonge mensen met onbehandelde ogen. De last van strooilicht neemt toe met de leeftijd en is groter bij blanke mensen met blauwe ogen dan bij blanke mensen met bruine ogen, terwijl bruine en zwarte mensen er nog minder last van hebben.

Gegevens erover staan in het proefschrift "Light scattering in the human eye' waarop dr. J.K. IJspeert op 22 juni promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Naast metingen aan groepen patiënten beschrijft hij het ontwerp van een bureautafelformaat van een bestaand kamergroot strooilichtapparaat. IJspeert deed zijn promotie-onderzoek aan het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut (IOI), gevestigd in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam.

Lichtverstrooiing in het oog gebeurt in het hoornvlies, de ooglens en bij weerkaatsing aan het netvlies. De bijdragen van iedere afzonderlijke strooibron zijn nog onbekend. Maar eigenlijk is het al lang mooi dat de lichtverstrooiing in een oog te meten is, want van licht dat in een levend oog verdwijnt is moeilijk na te gaan waar het terecht komt.

Strooilicht is al het licht uit een punt dat niet in een door een lens afgebeeld lichtpunt terecht komt. De verstrooiing vindt meestal plaats aan grensvlakken of miniscuul kleine obstakels in de lichtbundel. Het licht wordt daarvandaan weerkaatst of gebroken en gaat voor beeldvorming verloren.

Het prototype van de strooilichtmeter is door IJspeerts co-promoter dr. T.J.T.P. van den Berg tien jaar geleden ontwikkeld na een vraag uit de praktijk. Op het AMC was een groep patiënten met het syndroom van Waardenburg. Deze mensen hebben een tekort aan pigment in hun ogen. Met de strooilichtmeter kon Van den Berg aantonen dat de mensen met het syndroom van Waardenburg meer last van strooilicht hadden. De meetopstelling, een stellage van 1 bij 2 meter, verdween daarna in de kast.

Eind jaren tachtig kwam AMC-oogarts prof.dr. J.W. Delleman met een nieuwe groep patiënten. Hij had mensen met klachten waar hij met zijn apparatuur niets aan kon ontdekken. Van den Berg: ""Oogartsen beschouwen visus - gezichtsscherpte - het belangrijkste meetgegeven en daarnaast gebruiken ze ook wel een contrastgevoeligheidmeter. Lang niet alle klachten kunnen daarmee worden verklaard. Veel oogartsen doen die klachten af als onzin omdat ze niets kunnen meten, maar het ligt aan onvoldoende diagnostische apparauur.''

Het strooilichtapparaat kwam weer uit de mottenballen en IJspeert begon zijn promotiewerk.

De strooilichtmeter werkt met een cirkelvormige lichtbron die van achter op een groot matglas wordt geprojecteerd en enkele keren per seconde aan en uit gaat. Het strooilicht van deze flikkerende cirkel verlicht schijnbaar de omgeving van de cirkel. In werkelijkheid bestaat het schijnsel alleen in het oog van de proefpersoon. Midden in de oplichtende cirkel is een zwart vlakje temidden van een constant oplichtend cirkeltje aangebracht. De testpersoon kijkt naar dat zwarte vlekje en ziet daarop de strooilichtflikkering. Het zwarte vlekje is een donkere folie waarachter een lichtbron staat die met dezelfde frequentie als de flikkerende grote cirkel aan en uit gaat, alleen in tegenfase. Door de intensiteit van de lichtbron achter de zwarte folie te verhogen verdwijnt voor de toeschouwer de flikkering op het zwarte vlekje, als strooibronflikkering en de lichtbron gelijk van intensiteit zijn. Als de strooilichtbron uit is, staat de lichtbron achter het zwarte vlekje net aan, en omgekeerd. Hoe hoger de proefpersoon de lichtbron moet opdraaien, des te meer last heeft hij van strooilicht.

Strooilicht is hoekafhankelijk. Daarom krijgt de proefpersoon flikkerende cirkels met drie verschillende stralen aangeboden. Het lichtgevend oppervlak is steeds gelijk, zodat het oog steeds dezelfde hoeveelheid licht ontvangt. Onder een hoek van 25ß8 is de strooilichtintensiteit twee- à driemaal zo groot als onder een hoek van 5ß8. De hoekafhankelijke curve schuift bij ouder wordende mensen naar hogere strooilichtwaarden. Het oog van een zeventigjarige verstrooit ongeveer tweemaal zoveel licht als het oog van een twintigjarige. Boven de zeventig neemt de verstrooiing zeer snel verder toe.

IJspeert verkleinde het prototype van de strooilichtmeter tot een klein draagbaar kastje met een kijkbuis. De geprojecteerde flikkerende cirkels zijn?vervangen door drie ringen light emitting diodes (LED's).

Van den Berg: ""Jammer genoeg is ook dat apparaat nog niet in de gewone oogartsenpraktijk bruikbaar. Het bezwaar is dat de patiënt te veel zelf moet doen. Hij moet zeggen wanneer het flikkerende beeldje in het midden is verdwenen. En dat vereist een meewerkende patiënt en uitleg, dus een geduldige oogarts. Voor onderzoek hebben we echter twee series van het apparaat laten bouwen en die worden nu verspreid over de wereld door onderzoekers gebruikt.''

Een strooilichtmeter kan worden gebruikt om de klachten van staarpatiënten, waarbij de ooglens vertroebelt en licht gaat verstrooien, te categoriseren en de noodzaak van opereren beter te kunnen bepalen.

IJspeert: ""De staaroperatie is tegenwoordig minder riskant. Als gevolg daarvan wordt er in een eerder stadium van de ziekte geopereerd. Vroeger was het criterium dat de patiënt niet meer kon lezen. Nu is het afhankelijk van de klachten, maar niet iedereen klaagt even hard. De oogarts heeft geen goede methode om de gezichtsklachten objectief vast te stellen. Een goede strooilichtmeter kan dat veranderen.''

In de Verenigde Staten wordt de meter gebruikt om de behandeling met de excimeerlaser te evalueren. Deze laser wordt gebruikt om de oogbolling te veranderen zodat behandelde mensen minder sterke brillen of helemaal geen brillen meer hoeven te dragen. In Nederland worden deze apparaten inmiddels in de gewone praktijk gebruikt, maar in de VS zijn ze door de Food and Drug Administration nog niet toegelaten en zijn alle behandelingen experimenteel. Van den Berg: ""Een deel van de patiënten heeft na de behandeling klachten over slecht zien die niet met visusmeting, maar wel met de strooilichtmeter kunnen worden bevestigd. Meestal zijn de klachten overigens voorbijgaand.''

IJspeert onderzocht Nederlandse patiënten die met radiale keratotomie hun bril of contactlens probeerden kwijt te raken. Bij radiale keratotomie wordt niet een klein laagje van het hoornvlies afgebrand, maar wordt het hoornvlies enige malen radiaal (vanuit het midden) gekerfd, waardoor ook de bolling en dus de breking van het oog verandert. IJspeert slaagde er voor het eerst in om klachten over de behandeling te staven met metingen. De klachten van de patiënten, die tot nu toe nauwelijks werden geloofd, bleken gebaseerd op een teveel aan strooilicht, waarschijnlijk veroorzaakt door de littekens in de oogbol.

IJspeert: ""De verschillen tussen de mensen met en zonder klachten zijn overigens niet groot, net statistisch relevant. Je kunt echter wel zeggen dat deze veelal jonge mensen een slechtere uitgangspositie voor verouderingsklachten hebben dan hun leeftijdgenoten die geen radiale keratotomie ondergingen en gewoon hun bril bleven dragen. Maar ja, sommige mensen nemen dat risico uit esthetische overwegingen.''