Rekenkamer: betere controle nevenfuncties

DEN HAAG, 24 JUNI. Het rijk controleert nauwelijks de inkomsten die ambtenaren hebben uit nevenfuncties die in diensttijd worden vervuld. Het voorschrift is in de prakijk “een dode letter”. Enkele ambtenaren dragen de vergoeding die zij als overheidscommissaris ontvangen niet of maar gedeeltelijk af.

Dat schrijft de Rekenkamer in het vanmorgen gepubliceerde verschenen juni-verslag.

“De regels moeten worden nageleefd. Zo simpel is dat”, zegt het Kamerlid Paulis (CDA) in een reactie. “In de prakijkt heeft men vanuit een laissez-faire-attitude de regels laten verslonzen.” Zijn PvdA-collega Zijlstra onderstreept dat de regels “gewoon moeten worden nageleefd”.

Het ministerie van binnenlandse zaken werkt op dit moment aan een uniforme regeling die ervoor zorg moet dragen dat de regels worden nageleefd. De ministeries registreren de binnen diensttijd uitgeoefende nevenfuncties namelijk niet systematisch.

“Wat extra aandacht leek mij gewenst”, zei minister Dales (binnenlandse zaken) onlangs in een vraaggesprek met deze krant. “Ik heb inderdaad het gevoel gekregen dat hier en daar wat ontbreekt aan de verinnerlijking van normen als: je verrijkt je niet ten koste van de gemeenschap, ook niet met kleine bedragen, daar blijf je van af”, aldus Dales.

Pag.3: Eigen regels declaraties

De Rekenkamer "ondekte' bijvoorbeeld een ambtenaar die vier jaar de tijd kreeg om na beëindiging van zijn politieke nevenfunctie een passende baan te zoeken. In die vier jaar werkte hij niet. Volgens de regels had deze ambtenaar eervol ontslag moeten krijgen onder toekenning van een wachtgeld-regeling.

De regeling voor inkomstenbeperking in geval van niet-politieke bijbanen bleek in minder dan 13 procent van de gevallen goed te worden toegepast. Vijftien artsen in dienst van Justitie hoefden maar de helft van de tijd in een inrichting aanwezig te zijn. De andere helft moesten ze weliswaar oproepbaar zijn, maar konden er een eigen praktijk op nahouden. Dergelijke aanstellingen hebben niet meer plaats.

In het rapport concludeert de Rekenkamer ook dat bestuursleden van het ambtenarenpensioenfonds ABP op grond van door het bestuur zelf vastgestelde en per gelegenheid verschillende normen buitenlandse verblijfskosten hebben gedeclareerd. Die bedroegen een veelvoud van bedragen die hoofddirectie en werknemers in rekening mochten brengen. Bovendien bleek het zakelijk karakter van de uitgaven niet altijd te achterhalen.

De Rekenkamer vindt het onjuist dat de huidige regeling voor vergoeding van bestuurskosten met nadruk niet van toepassing is verklaard op de voorzitter van het ABP-bestuur. De afwikkeling van voorschotten geschiedt niet systematisch, waardoor de kans op dubbele vergoeding bestond. De Rekenkamer pleit voor duidelijke toetsing van de vergoedingen.