Owen praat graag met Izetbegovic' rivalen

GENÈVE, 24 JUNI. De zeven leden van het presidium van Bosnië-Herzegovina die tegen de wil van president Alija Izetbegovic de vredesonderhandelingen in Genève bijwonen, bewegen zich door de stad in een Japans minibusje. Het steekt maar mager af bij de gepantserde limousines waarmee hun tegenspelers, president Milosevic van Servië en president Tudjman van Kroatië, van en naar de villa in de luxe buitenwijk van Genève suizen, waar de besprekingen worden gehouden. Toch zijn de zeven Bosniërs veruit de meest welkome gasten, vooral voor de bemiddelaars Owen en Stoltenberg.

Zonder de aanwezigheid van de zeven zou deze nieuwe gesprekronde op woensdag geheel mislukt lijken, nadat president Izetbegovic vorige week liet weten geen heil meer in onderhandelen te zien. Nu zat hij gisteren demonstratief in de Bosnische hoofdstad. Daar deed Izetbegovic weer net alsof het verscheiden van het plan Vance-Owen, dat een verdeling van Bosnië-Herzegovina in tien provincies voorstond en dat hij in het verleden slechts onder forse druk accepteerde, hem buitengewoon ter harte gaat.

De bemiddelaars Stoltenberg en Owen weten echter dat Izetbegovic al geruime tijd nog slechts heil ziet in een militaire overwinning en herstel van de eenheidsstaat Bosnië-Herzegovina. Dat de EG, Rusland en de Verenigde Staten zich min of meer achter het idee van drie staten in een confederatie hebben opgesteld, lijkt Izetbegovic niet te deren. Moreel voelt Izetbegovic zich sterk, al maken zijn eigen (moslim-)troepen zich steeds vaker schuldig aan dezelfde gruwelen als waaraan Servische en Kroatische troepen op veel groter schaal de moslim-bevolking onderwerpen. Maar daaraan hebben op hun beurt Owen en Stoltenberg geen boodschap.

“Jammer dat Izetbegovic er niet bij is”, zei David Owen. Hij laat merken de zeven delegatieleden als een volwaardige delegatie te zien - even legitiem als Izetbegovic zelf, die Owen omschrijft als “een vertegenwoordiger van Sarajevo”. De Bosnische president, die toen wegliep en een onaanvaardbaar uitsprak, is maar één van de leden van het Bosnische presidium. Dat is de door Owen en Stoltenberg thans gehuldigde doctrine.

De basis voor deze redenering ligt verborgen in de wankele rechtstoestand in Bosnië-Herzegovina, waar eerst de Servische en daarna de Kroatische nationalisten de structuren van de jonge republiek in de steek hebben gelaten. Grondwettelijk wordt het Bosnië-Herzegovina dat vorig jaar door de internationale gemeenschap werd erkend, geleid door een collectief presidium, bestaande uit twee moslims, twee Serviërs, twee Kroaten en een "Joegoslaaf', dus een vertegenwoordiger van de vele Bosniërs die al voor de oorlog weigerden voor een nationaliteit te kiezen. Onder oorlogsomstandigheden zijn ook de premier, de bevelhebber van het leger en de voorzitter van het parlement lid van het gezelschap. Het voorzitterschap, oftewel presidentschap, roteert. Dat ziet er op papier mooi uit, maar er is tot nu toe niets van terechtgekomen in het belegerde Sarajevo. In zijn huidige samenstelling is het Bosnische presidium eigenlijk pas vorige week in Genève bijeengekomen, op instigatie van Owen en Stoltenberg.

De leden van het presidium zijn voor een deel onbekenden. Niemand weet eigenlijk iets over Mirko Pejanovic en Tatjana Ljujic-Mijadovic, de twee "loyale' Serviërs die voor het ambt in Sarajevo van de straat geplukt lijken, nadat hun voorgangers vorig jaar naar Belgrado waren gevlucht. De Kroaten Miro Lasic en Branjo Boras zijn in feite volgelingen van de Kroatisch-Herzegovijnse leider Mate Boban, inmiddels een van de doodsvijanden van Izetbegovic. Het kan dus ook nauwelijks verwondering wekken dat zij zich al maanden niet meer in Sarajevo hebben laten zien, net zo min als de Bosnische premier, een Kroaat.

Des te beter bekend zijn de leden van het presidium die in Genève ontbreken. Behalve Izetbegovic is daar de "Joegoslaaf' Ejup Ganic, een moslim uit de Sandzak en vermoedelijk verbonden met de Sandzakse moslims die vanaf het begin van de oorlog in Sarajevo een belangrijke rol spelen en zich hebben ontpopt als zowel radicaal-islamitisch als de belangrijkste vechtersbazen in moslim-kringen. Het gaat niet goed met het multinationale ideaal, dat Izetbegovic nog steeds naar buiten uitdraagt. De stedelijke bevolking, ongeacht haar nationaliteit, vreest een machtsgreep van de "extremisten' uit de Sandzak en andere landelijke gebieden.

Deze polarisatie heeft Fikret Abdic in de door hem bestuurde enclave Bihac in het noordwesten van Bosnië weten te voorkomen. Abdic is een ex-communist die, zoals vele hoge regionale kaders onder het socialisme, vooral voor eigen rekening zaken deed en nog doet, met alle partijen. Wat Abdic betreft hoeft het wapenembargo voor de moslims geenszins te worden opgeheven. De wapens voor de verdediging van zijn enclave tegen de Bosnische Serviërs heeft hij al van de Kroatische Serviërs gekocht.

Hoewel Abdic deze week ontkende uit te zijn op een machtsovername tegen Izetbegovic is hij een formidabele tegenstander van de onverzoenlijken die naar Sarajevo zijn vertrokken, en een mogelijke bondgenoot voor Owen, Stoltenberg en de Servische en Kroatische presidenten. Abdic ontleent zijn populariteit - zeker in Bihac - deels aan het feit dat hij in communistische tijden al overhoop lag met de hardline communisten in Sarajevo. Eind jaren tachtig zat hij meer dan twee jaar bij hen in voorarrest, nadat zijn bedrijf voor twee miljard dollar ongedekte schuldbewijzen had uitgegeven, het grootste bankschandaal in het naoorlogse Joegoslavië.

Abdic verwierf bij de verkiezingen in 1990 meer voorkeurstemmen dan Izetbegovic. Eenmaal reeds lijkt Abdic op het punt te hebben gestaan het ambt over te nemen, toen Izetbegovic in augustus vorig jaar korte tijd door het Joegoslavische leger gevangen werd gehouden. In september vertrok Abdic echter naar Bihac, om tot op heden niet meer naar de Bosnische hoofdstad terug te keren.

Abdic en de andere zes leden hebben begin deze week moeten beloven, zich na hun werk in Genève ook in Sarajevo te vervoegen. Of dat voor hen een gezond idee is, lijkt de vraag. Want ook in het belegerde Sarajevo komt de macht in belangrijke mate niet meer voort uit democratische procedures, maar uit de loop van het geweer.