Ottavia

“Huil maar hoor, huil maar lekker. Het mag.”

Is huilen dan leuk? Helemaal niet, het is zelfs de vraag of het oplucht. Maar in onze verknipte tijd wordt het mogen uithuilen hoog aangeslagen, zo zeer dat het de omgeving van de wenende - ja, de veroorzaker van het verdriet - ontslaat van de verplichting iets anders te doen. Verdriet is namelijk verkeerd. Verdrietig mogen zijn is een gunst, want eigenlijk zien we liever geen treurneuzen.

De minachting voor het verdriet, voor de verliezer, wordt prachtig weergegeven in L'Incoronazione di Poppea, de opera van Monteverdi die deze maand in Rotterdam werd uitgevoerd. Poppea is de nieuwe minnares van keizer Nero - o, ze zijn zo verliefd, Poppea's kroning is tegelijk de triomf van Amor - en Ottavia, 's keizers oude echtgenote, wordt aan het eind verstoten. Ze was koud (frigide, maken de vertalers daar harteloos van) en vreselijk jaloers.

Het begint je naar de keel te grijpen bij de scène waarin Ottavia zingt over de ontrouw van Nero: ”Waar ben ik? Wat doe ik?' Haar vertwijfeling is des te ontroerender omdat daar in Rotterdam de mooiste van alle stemmen aan Ottavia was gegeven. Zij wil straf voor Nero, maar in dit stadium ook weer niet zo'n heel erge. De suggestie van haar voedster om dan zelf maar een minnaar te nemen vindt ze te ver gaan. Een vrouw wordt immers niet onteerd door overspel van haar man, zegt zij, maar een man wel als zijn vrouw hem bedriegt.

Wie evenmin begrip heeft voor Nero's gedrag is zijn oude leermeester, de filosoof Seneca. Hij verkondigt berusting en vindt het hoogst vulgair dat de keizer, omdat dat toevallig in zijn macht ligt, zijn nieuwe liefje tot keizerin wil verheffen. Dat standpunt wordt de filosoof noodlottig, maar zoals gezegd gelooft hij in berusting. Zelfs een prachtig chromatisch terzet van zijn volgelingen weerhoudt Seneca er niet van blijmoedig de dood in te gaan.

Het navrante van het hele verhaal is, dat het lijkt alsof iedereen verder zo tevreden is met de loop der gebeurtenissen. Poppea is mooi en verliefd, de keizer aanbidt haar, de wereld ligt open. En kijk, die akelige Ottavia beraamt nu zelfs een moord op haar rivale. Zij geeft de opdracht haar te doden aan Ottone - die zelf toevallig ook stapel is op Poppea. Maar dat is nu juist de redding voor het jonge geluk. Amor houdt de moordenaarshand tegen; Ottone wordt betrapt. Wat goed uitkomt, want nu heeft Nero meteen een goede grond om zijn vrouw plus de vrijer van zijn nieuwe liefje te verbannen. Hoera!

Ergens in het tweede bedrijf zit een tafereeltje dat zich afspeelt in kringen van het personeel: even iets luchtigs voor de meer eenvoudige kijkers, denk je eerst. Ottavia's voedster wordt met haar leeftijd geplaagd door een page. “Ach kom, zo oud ben je toch helemaal niet, alleen de ochtend van je leven is voorbij en je ziet er nog hartstikke goed uit!” Hij hangt haar versierselen om, zet een krans op haar hoofd, en net fleurt zij er zelf onwillekeurig van op, zij gelooft hem haast - of de plaaggeest slaat om. Gefopt! Stom oud wijf, niet alleen de ochtend, maar zelfs de avond van je leven is reeds verstreken, roept hij uitgelaten en danst weg.

Een aardigheidje. Lachte een zeventiende-eeuws gehoor misschien harder om zoiets dan wij nu, gevoelig en smaakvol als wij zijn? vraag je je licht gegeneerd af.

Pas aan het eind vallen de stukken op hun plaats. Dan neemt Ottavia in een hartverscheurend recitatief afscheid van Rome, van haar leven als keizerin. Het gaat niet alleen om haar man of haar macht, het gaat om alles waar zij van hield, ook de stad en de rivier zijn belangrijk, de dingen.

Met de tranen nog in de ogen zie je de feestelijke kroning waar het allemaal om begonnen is, hoor je het liefdesduet van Nero en zijn Poppea. En je ziet, aan Monteverdi's wijze hand, de platheid van de triomf van jeugd en verliefdheid over alles wat oud, eerlijk en dierbaar is. Plat, maar onontkoombaar. Wie niet berust kan alleen maar hopen dat het nog heel lang duurt. Maar uiteindelijk komt er altijd iemand die jonger is, en mooier. En die wint.