Katholiek en openbaar

In een artikel in W&O van 13 mei beschreef Hendrik Spiering een interessant concordaat tussen de Udense gemeentelijke overheid en de plaatselijke katholieke schoolbesturen, krachtens hetwelk een particuliere stichting bevoegd gezag zal gaan uitoefenen over het gehele katholieke en openbare voortgezet onderwijs. Een beetje kenner van de schoolstrijd en de onderwijspacificatie zal van de commotie die daardoor werd veroorzaakt niet verbaasd hebben opgekeken.

Al sedert een jaar of vijftien geraken we met de drie "vrijheden van onderwijs', zoals die in artikel 23 van de grondwet staan (vrijheid van stichting, richting en inrichting), in zulk zwaar weer, dat het bestel zelf niet onaangetast kon blijven. Het belangrijkst is de verschuiving in de opvattingen over de levensbeschouwelijke identiteit van de school. Veel confessionele scholen hebben hun onderwijs ook toegankelijk gemaakt voor degenen die geen belijdend aanhanger zijn van het betreffende kerkgenootschap. Zij deden dat vanuit het groeiend besef dat de identiteit wel eens ergens anders gelegen zou kunnen zijn dan in een kerkelijk keurmerk. Ten tweede stabiliseerden of krompen de leerlingenaantallen, waardoor slechts herverkaveling overbleef als mogelijkheid om aan veranderingen in "verlangd' onderwijs tegemoet te komen. Tenslotte is er sprake van een democratiserende ontwikkeling. Traditioneel waren het de besturenorganisaties die volgens een strak ritueel in samenspraak met de overheid de vrijheid van richting en stichting effectueerde. Schoolbesturen en leraren realiseerden in de scholen de vrijheid van inrichting. Maar de positie van ouders en leerlingen is inmiddels aanzienlijk versterkt. En van haar kant legt ook de overheid een groeiend beslag op op de vrijheid van inrichting. De inhoudelijke formulering van kerndoelen voor de basisvorming en de centrale toetsing daarvan zouden een kwart eeuw geleden als staatsdidactiek van tafel zijn geveegd.

Alle aanleiding dus om de leer van de drie vrijheden kritisch onder de loep te nemen. Ik doe maar een gooi. Als we nu eens de vrijheid van richting en stichting, samengevoegd tot de vrijheid van (op)richting, in handen legden van de lokale of regionale onderwijsgemeenschap? De gemeente(n), de schoolbesturen, medezeggenschapsraden en maarschappelijke en culturele organsiaties tezamen verenigd in een soort lokale of regionale schoolraad. Laten we dan aan de onderwijswetgever de inrichting van het onderwijs toevertrouwen voor zover het het gaat om het stelsel als geheel. Om de oorspronkelijke drieslag niet geheel los te laten zou ik tenslotte een derde vrijheid willen formuleren: de vrijheid van verrichting, die zou moeten toekomen aan de schoolparticipanten zelf: schoolbestuur, ouders en leerlingen en onderwijsgevenden. Bij "verrichting' denk ik aan de organisatiestructuur van de school, het toelatings_ en schoolloopbaanbeleid.