Handen

“Op Java”, zei mijn vader. “Lijken mét en lijken zonder ledematen. Je was er zó aan gewend. Ik zie op de televisie uit Joegoslavië niks waar ik van opkijk.”

“Maar u vindt dat toch niet normaal?”

“Abnormaal, absoluut. En wat ik zelf nooit gekund heb - iemand zonder reden neerschieten.”

“Anderen deden dat wel?”

“Vrij veel, ja. We hebben van west naar oost een spoor van bloed getrokken.”

“En met een reden - met een reden kon u wel iemand neerschieten?”

“Ik heb”, zei mijn vader, “aan het eind van die oorlog mijn stengun ingeleverd. Ik zei: alsjeblieft, hier heb je mijn pistoolmitrailleur, ik heb er nooit geen kwaad mee gedaan. Toen zei ritmeester Springer: maar je hebt er wel kwaad mee laten doen.”

“En dat was zo?”

“Ik was sergeant, ik voerde een commando. We zaten bij een kampong die onder artillerievuur werd genomen. We zagen mensen op de vlucht slaan. Ik zeg: schieten! Toen zei soldaat Ensink: dan moet ik toch eerst mijn handen schoonmaken, ik kan niet met vuile handen gaan liggen schieten.”

“En dat scheelde weer een paar levens”, zei ik.

“Dat zou kunnen”, zei mijn vader. “Je zult mij niks moois over oorlog horen vertellen. En dat het een koloniale oorlog was, had ik ook vrij gauw in de gaten. We zaten fout.”

    • Koos van Zomeren