Frisse Afrikanen

The ACP-EEC Courier Africa-Carribean-Pacific-European Community. Tweemaandelijks tijdschrift van de Europese Commissie, nr 139, mei-juni 1993.

Redactie-adres: 200, Rue de la Loi, 1049 Brussel, België. ISSN 1013-7335. Verschijnt in het Engels en in het Frans in ruim 140 landen en is door genteresseerde instellingen aan te vragen.

Zo'n foto van een stervend, met vliegen overdekt skelet zoals de lezers van deze krant pas nog vanaf de voorpagina tegemoet grijnsde, zul je in de ACP-EEC Courier niet aantreffen. Het EG-voorlichtingsblad staat vol met energieke, frisgewassen Afrikanen die hun best doen mee te komen in de vaart der volkeren. Maar van de feiten word je niet vrolijk. Want ook de ACP-EEC Courier stelt onomwonden vast, dat de honger in Afrika ondanks alle menselijk en natuurlijk potentieel alleen maar groter wordt.

Het aantal chronisch ondervoede mensen is dramatisch toegenomen, van 101 miljoen in 1969-71 tot 168 miljoen in 1988-90, dat wil zeggen, een derde van de hele Afrikaanse bevolking. De landbouwsector, die in veel landen voor de grootste bijdrage aan het bruto nationaal produkt moet zorgen en door export harde valuta moet verdienen, kampt met enorme problemen. De voedselproduktie per hoofd van de bevolking is begin jaren tachtig met 2 procent per jaar gedaald. Daarna sloegen droogte en burgeroorlog toe.

Afrika wordt steeds afhankelijker van voedselimporten. Ten zuiden van de Sahara nam het volume van de voedselimporten tussen 1970 en 1990 met 50 procent toe. Maar weinig landen zijn er in geslaagd hun exportproduktie te diversificeren. Een onstabiele economische omgeving en gebrek aan voldoende infrastructuur remmen nieuwe investeringen af, de schuldenlast is torenhoog en de afhankelijkheid van hulp van buiten Afrika wordt steeds groter.

Wat hebben wetenschap en technologie de Afrikanen op dit moment te bieden? Lange tijd, aldus de Courier in een bijna dertig pagina's dik en zeer informatief dossier over ontwikkelingsfactoren, werd verondersteld dat Afrika in de eerste plaats behoefte had aan meer technologie en meer geld. Na dertig jaar komt men daar nu van terug. Of er nu olie beschikbaar was of andere kostbare of strategische mineralen, vruchtbare gronden, een een-partij-systeem (dat geacht werd buitenlandse investeerders te bekoren) of juist een democratisch stelsel of misschien zelfs de Tanzaniaanse socialistische Ujamaa-ideologie, niets heeft geholpen. De honger, de afbraak van de gezondheidszorg en de acute financiële crisis geven aan hoezeer het gevoerde economische beleid een fiasco is geworden. Dat komt, zeggen de auteurs, in de eerste plaats door het ontbreken van democratische structuren die voor een betere controle op het economisch overheidsbeleid hadden moeten zorgen. Discussie over mogelijke ontwikkelingsmodellen ontbreekt. In plaats daarvan wordt van bovenaf een soort toverformule voor ontwikkeling opgelegd. En die mislukt dan.

Volgens Edouard Saouma, directeur-generaal van de FAO, wordt in het grootste deel van Afrika de natuurlijke leefomgeving aangetast. Ruim 20 procent van het continent bestaat al uit woestijn en nog eens 60 procent loopt het risico van versnelde erosie. Een groot deel van de Afrikaanse bodem houdt van nature weinig voedingsstoffen vast en is zwaar uitgeloogd. Door de bevolkingsgroei komt de traditionele braakperiode, die voor herstel van de bodemvruchtbaarheid moest zorgen, onder druk te staan. Het gebruik van kunstmest is nog altijd enorm laag, zo'n 11 kilo per hectare tegen 261 kilo in China en 69 in India. In Afrika is kunstmest te duur, er zijn te weinig voorraden, de distributie schiet tekort evenals de landbouwvoorlichting. Een aantal landen beschikt over natuurlijke grondstoffen voor kunstmestproduktie, er zijn echter maar enkele fabrieken en die draaien op 20 tot 30 procent van hun capaciteit.

Bovendien heeft Afrika minder oppervlaktewater en een hogere verdamping dan bijvoorbeeld Latijns-Amerika. Ten zuiden van de Sahara wordt maar 5 miljoen hectare gerrigeerd, ook al zou volgens schattingen 30 tot 150 miljoen hectare daarvoor in principe geschikt zijn. De meeste rivieren zouden vergaand gereguleerd moeten worden om ze als bron van irrigatiewater te kunnen gebruiken en de meeste watervoerende lagen zijn te diep en daarom te duur. Voeg daarbij nog de overbegrazing (in tien jaar tijd met 20 procent toegenomen) en de ontbossing (0,7 procent per jaar) en het beeld is compleet.

Tot de oplossingen die de FAO voor ogen staan om straks, in het jaar 2000, zo'n 872 miljoen Afrikanen te kunnen voeden, behoren vruchtwisseling en de aanleg van erosiebestendige terrassen. De techniek van minimum-tillage houdt in, dat men zonder ploegen of schoffelen rechtstreeks in het stoppelveld plant (wat overigens wel meer bestrijdingsmiddelen en onkruiddodende middelen vergt). Agroforestry is het combineren van boomaanplant met gewassen. Alley cropping is een andere succesvolle bodembeschermingstechniek, waarbij veldgewassen tussen rijen stikstofbindende, vlinderbloemige bomen staan. Er zal de komende jaren nog de nodige kunstmest gemporteerd moeten worden. En er moet meer aandacht komen voor gentegreerde gewasbescherming, het combineren van resistente rassen, biologische bestrijding en eventueel bespuitingen. Echt spectaculair klinkt het allemaal niet en misschien is dat maar goed ook.

Verder in de Courier naast een heleboel ACP-EEC "clubnieuws' inspirerende reportages uit Trinidad en Tobago, waar een nieuwe wind waait nu de olie-industrie op zijn eind loopt, en over Zimbabwe, dat langzaam overeind krabbelt na de extreme droogte van vorig jaar.