De mus

Ik lees u een gedichtje van Jan Hanlo voor. Het heet "De mus'.

Tjielp tjielp - tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp - tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

Tjielp

etc.

Ik heb "De mus' altijd een aardig gedichtje gevonden. Ik las het wel voor wanneer ik een praatje over poëzie moest houden. Sommige mensen vonden het, net als ik, ook heel leuk. Die moesten er om lachen, glimlachen. Later, na de lezing, wanneer wij nog een half uurtje bij elkaar zaten en wat dronken, probeerden zij mij het gedichtje na te zeggen, zomaar, uit hun herinnering. Dan vergisten zij zich nogal eens en moest ik hun voorzeggen hoe het wel ging.

Jan Hanlo's gedichtje zit even eenvoudig als vernuftig in elkaar, een geslaagd werkstuk mag je gerust zeggen, maar geslaagd wel op het nippertje. Er kan geen "tjielp' af, maar er kan ook geen "tjielp' bij. In beide gevallen wordt het een heel ander gedichtje en eigenlijk, om de waarheid te zeggen, een mislukt werkstuk. En dat is wel het ergste dat een dichter kan overkomen, vooral wanneer hij een gedicht heeft geschreven dat uit een enkel woord of, juister, een enkele klanknabootsing bestaat.

Eenvoudig en vernuftig heb ik "De mus' van Jan Hanlo genoemd. Eenvoudig omdat met behulp van slechts die enkele klanknabootsing in een bepaalde strenge volgorde een gaaf geheel is opgebouwd. Vernuftig omdat er in die volgorde afwisseling of variatie is aangebracht, zodat het geheel niet uit een dode herhaling bestaat. Door een loutere herhaling zou de mus in Jan Hanlo's gedichtje niet tot leven komen, wat nu door die afwisseling juist wel gebeurt. Luister maar.

In de eerste regel komt eerst twee keer "tjielp', daarna een heel kleine pauze en dan drie keer "tjielp'. In de tweede regel wordt die volgorde omgekeerd. Eerst drie keer "tjielp', een kleine pauze, dan twee keer "tjielp'. In de derde regel zes keer "tjielp' achterelkaar. Alsof de mus met die eerste twee regels op gang moest komen en nu in de derde regel zijn hart, zijn lieve kleine mussenhart uitstort en het op een jubelen en kwinkeleren zet, als een nachtegaal die hij uiteraard wel eens, als het bewonderde grotere talent, heeft horen zingen, of als een leeuwerik die van louter verrukking regelrecht het hemelruim inschiet. Daartoe is een mus natuurlijk niet in staat en daarom blijft hij ook gewoon op een tak of op de dakgoot zitten en tjielpt maar wat aan.

De vierde regel van Jan Hanlo's gedichtje bestaat nog slechts uit driemaal "tjielp' en de vijfde regel, los van de voorafgaande vier regels, uit een enkele keer "tjielp', als een zucht, of een klacht, alsof de mus tot het besef is gekomen dat hij niet werkelijk zingen kan, omdat zijn stemorgaan daarin tekortschiet, zodat hij, wat ontboezeming of zelfexpressie betreft, zijn leven lang tot tjielpen blijft beperkt, of veroordeeld, hoe je het noemen wilt.

Wanneer ik Jan Hanlo's gedichtje voorlas waren er altijd ook mensen die mij vroegen wat de dichter met zijn gedichtje had bedoeld, wat het betekende en of het behalve onomatopoëtisch misschien ook metaforisch, symbolisch of zelfs hermetisch zou kunnen zijn. Deze toehoorders, de fine fleur van het gezelschap, hadden wel degelijk de klok horen luiden. Maar ik kon slechts antwoorden dat ik het niet wist omdat ik het Jan Hanlo nooit had gevraagd. Het gaat er ook niet om wat een dichter met zijn gedicht bedoelt, voegde ik er deskundig aan toe, maar wat de lezer er zelf in ziet of ervan maakt. De lezer heeft altijd gelijk, betoogde ik, en dan begonnen die ernstige gezichten weer op te klaren. Enkele hoofden knikten instemmend. Die wisten het al. Wat ik wel kon verklaren was dat "De mus' Jan Hanlo waarschijnlijk heel wat hoofdbrekens had bezorgd. Omdat ik jarenlang met hem bevriend ben geweest en daardoor wist hoe angstvallig precies hij altijd te werk ging, kan ik mij voorstellen dat hij ooit, in een van die begenadigde ogenblikken, die vaak heel onopvallend, vluchtig of zelfs slordig kunnen zijn, op de idee van "zijn' mus is gekomen en toen, misschien ontroerd en stellig opgewonden vanwege zijn vondst, aan de slag is gegaan om zijn taaltekens te schikken en ordenen, net zolang totdat zij een zodanig geheel vormden dat het aan zijn voorstelling beantwoordde en hij ermee tevreden kon zijn. Daarna mocht er niets, werkelijk niets aan veranderd worden. De bevlogenheid was tekst geworden. En tekst is heilig, in elk verbond.

In het woordenboek zult u het werkwoord "tjielpen' vergeefs zoeken. Van Dale vermeldt "tjilpen' en omschrijft het als het zacht piepende geluid dat vogels maken. Als voorbeeld geeft Van Dale: "de mussen tjilpten'. Het is niet om Jan Hanlo achteraf nog op de etherische vingers te tikken, maar ik moet bekennen dat ik, voor de weergave van het stemgeluid van de mus, "tjilpen' ook juister vind dan "tjielpen'. Ik heb mijn leven lang naar mussen geluisterd (ruim twintig jaar langer dan Jan Hanlo), geluisterd en gekeken, omdat ik een groot zwak voor ze heb. Het zijn de scharrelaars, de kleine zelfstandigen van de vogelwereld. Zij komen overal voor waar mensen wonen, behalve in Japan, als ik goed ben ingelicht. Zij erkennen geen grenzen, de wereld is met recht hun vaderland en daarom zijn zij ook de enige werkelijke proletariërs.

In de vogelgids van Peter Hayman worden zij brutaal agressief en luidruchtig genoemd. Ik zou ze liever als vlijtig, welgemoed en onverschrokken omschrijven. Onverschrokken maar altijd op hun hoede. Wanneer ik op het caféterras mijn espresso met Calvados zit te drinken, komen zij op mijn tafeltje wippen om te zien of er iets van hun gading is te vinden. Ik verkruimel mijn koekje en geef mijzelf daarvoor een bescheiden pluim. Ik zie het ook anderen doen, die mij daardoor vertrouwder en sympathieker voorkomen. Dat alles lijkt, wat het gedrag van de mus betreft, nogal overmoedig. Maar je moet al een poes zijn om een mus te kunnen vangen.

Misschien vond Jan Hanlo ook wel dat mussen eerder tjilpen dan tjielpen. Maar Jan Hanlo was eigenwijs, ging graag, zelfs in zijn katholicisme, tegen de draad in en gebruikte daarom, uit louter eigenzinnigheid, het werkwoord tjielpen. Hoe het zij, en dat alles gezegd zijnde, nu lees ik u "De mus' nog een keer voor, maar met "tjilp' in plaats van "tjielp'.

Tjilp tjilp - tjilp tjilp tjilp

tjilp tjilp tjilp - tjilp tjilp

tjilp tjilp tjilp tjilp tjilp tjilp

tjilp tjilp tjilp

Tjilp-

etc.