De jongeren staan meteen klaar met hun vuisten

De Nederlandse gevangenis is de laatste jaren steeds meer het exclusieve terrein geworden van bepaalde groepen gedetineerden. Wie een willekeurige gevangenis binnenwandelt, komt grote aantallen verslaafden en psychisch gestoorden tegen. De helft van de gevangenen is of vreemdeling of allochtoon. “Het is nooit "gezellig' geweest in de gevangenis.” Deel drie in een serie.

“Wie pleegt een grote fraude? Wie begaat een seksueel delict?” De gevangenis is er voor iedereen, wil algemeen directeur mr.drs. B. Leliefeld van het penitentiair complex Scheveningen maar zeggen. Toch is de gevangenis de laatste tien, vijftien jaar steeds meer het exclusieve terrein geworden van bepaalde groepen gedetineerden.

In 1976 maakte het ministerie van justitie zich ongerust, zo blijkt uit een beleidsnota van dat jaar, over het aantal buitenlandse gedetineerden: “Op het ogenblik eenvijfde van het totaal.” Ook de langgestraften vormden een zorgwekkende categorie: “Men treft juist hierin de mensen aan met weinig sociaal perspectief, de buitenlanders, de mensen die bijzondere veiligheidsvoorschriften eisen, degenen met een lange recidivestaat, met een agressieve opstelling tegenover de samenleving, met weinig persoonlijke contacten of met psychische tekorten.” Het ging daarbij in 1976 om tien procent van de gevangenen die een celstraf kregen van meer dan zes maanden. Men maakte zich weinig zorgen in 1976 over verslaafde gedetineerden of over de psychisch gestoorde gedetineerden.

De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over 1991 laten de verschuiving zien: 7.302 gedetineerden in de vijftig penitentiaire inrichtingen van Nederland. Eenderde van hen had een niet-Nederlandse nationaliteit, waarvan de meesten uit Noord-Afrika kwamen. Meer dan de helft van de gevangenen zat een straf van 13 maanden of langer uit, zeventien procent een straf van langer dan vier jaar.

Over eventuele verslaving van de gevangenen heeft het CBS in de Gevangenisstatistiek geen gegevens. Maar volgens de Enquête medische diensten 1988 van Justitie kon meer dan 42 procent van de gedetineerden worden beschouwd als hard-drugverslaafde. Over psychisch gestoorden zijn geen systematische gegevens voorhanden.

“De gevangenis is ingewikkelder geworden wat betreft behandelbehoefte.” En dan drukt drs. A.J.W. Meertens, adjunct-directeur van de Stichting Reclassering Amsterdam en 't Gooi, het nog heel voorzichtig uit. Waar de officiële cijfers de landelijke situatie weerspiegelen, komt hij in de stad een uitvergroting van de problemen tegen. Driekwart van de bewoners van de Bijlmerbajes is buitenlander of allochtoon. Zeker tachtig procent, schat hij, zit wegens een delict dat met drugs te maken heeft.

Psychisch gestoorden

De moeilijkste groep, ook toegenomen in de afgelopen vijf jaar, is die van de psychisch gestoorden. Tien procent van de gevangenen, schat Meertens, hoort eigenlijk niet thuis in de gevangenis. “Het zou voor henzelf en voor hun medegevangenen beter zijn als ze in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting terechtkwamen. De bewaarders zijn nu eenmaal niet opgeleid om psychiatrische hulp te verlenen en ook de maatschappelijk werkers van de reclassering hebben geen behoefte om maar een beetje te gaan therapeuten.”

Maar psychiatrische ziekenhuizen kennen lange wachtlijsten. Ze zitten ook niet te wachten op agressieve patiënten en dat is juist de groep die in de gevangenis terechtkomt. F. Stam is maatschappelijk werker van de Amsterdamse reclassering: “Ik voerde eens een intake-gesprek met een gestoorde gevangene om te zien waar die het best kon worden geplaatst. De psychiatrische staf somde op wat hun eisen waren: Hij mocht niet agressief zijn, hij mocht geen drugs gebruiken, niet lastig zijn. "Ik stuur hem wel weer naar huis', heb ik toen gezegd.”

Je moet het in de gevangenis wel heel erg bont maken, willen ze je naar een psychiatrische afdeling sturen, zegt Stam. “Ze maken zich niet druk om de mafkees die de hele dag in zijn cel blijft. Die bungelt steeds onderaan de wachtlijst.” Volgens directeur Leliefeld is de schatting van tien procent gestoorde gedetineerden nog conservatief. “En Justitie moet dat maar opvegen.” Het is waar dat hij pas ingrijpt als de situatie onhoudbaar wordt - “Als iemand zijn eigen uitwerpselen begint te gebruiken.”

Communicatie met deze groep is moeilijk. Dat geldt al evenzeer voor de junks die in de gevangenis zitten. Soms ziet Stam een notoire junk drie keer per jaar binnenkomen in toren De Schans van de Amsterdamse Bijlmerbajes. “Dat mikt-ie wel uit, hoor. Af en toen binnen op krachten komen, op tijd eten en drinken. En reken maar dat hij "zijn natje en zijn droogje' ook krijgt in de cel.” Als er weinig vraag is naar medicijnen bij de medische dienst van de gevangenis, loopt de aanvoer van drugs naar binnen kennelijk goed, weet Stam inmiddels.

Drugs is de hoofdoorzaak van de vervuiling in de gevangenis, zegt E. van der Maal, voorzitter van de Bond van Wetsovertreders met afschuw. “Het is onfris. Het schept allerlei banden van afhankelijkheid, zoals in Amerikaanse gevangenissen.” Nederland telt nu 211 drugsvrije cellen, voor verslaafden die willen afkicken of mensen die niet met drugs in aanraking willen komen. Reken maar uit: dat is 2,5 procent van de ruimte, terwijl 40 procent van de gedetineerden verslaafd is.

Buitenlanders

Een andere groep waarmee de communicatie een probleem kan zijn, is die van de buitenlanders en allochtonen. Het aantal gevangenen dat niet aan de omschrijving "blanke Nederlander' beantwoordt, wordt geschat op 50 procent. De helft van hen is in Nederland zonder verblijfstitel, de rest is allochtone Nederlander.

“De blanke gevangenen zijn in de minderheid en dat roepen ze vaak genoeg”, zegt Stam. In de toren "De Schans' van de Bijlmerbajes is de verhouding een blanke op drie niet-blanken, volgens hem. Het is een factor in de toegenomen spanning in de gevangenis, denkt ook Leliefeld. “De bewaarders ervaren het soms als bedreigend wanneer groepen allochtonen in een taal staan te smoezen die zij niet verstaan. Zoals ze ook de luidruchtigheid van de Antillianen als bedreigend ervaren, volgens de directeur, en de agressieve houding van de Marokkanen.

Marokkanen vormen een snel groeiende groep in de gevangenissen. Van de 4.385 meldingen betreffende niet-verslaafden bij de piketcentrale in Amsterdam, in de eerste helft van 1992, waren 1001 in Marokko geboren. Het Jaaroverzicht van het ministerie van binnenlandse zaken over 1992 stelde nog dat criminaliteit van allochtonen geen aparte aanpak behoefde. In 1993 is het departement daarop teruggekomen. “In combinatie met de relatief hoge aantallen politiecontacten van sommige groepen allochtone jongeren was dit reden om op deze groepen gerichte activiteiten te starten.” Inmiddels kennen de politiekorpsen in de grote steden "Marokkanen-teams'. Amsterdam heeft een categoriale strafinrichting voor criminele Marokkaanse jongeren.

Gisteren heeft Meertens aan de Amsterdamse rechtbank en het Openbaar Ministerie een nieuw pakket alternatieve sancties aangeboden. Het betreft leer/werkprogramma's voor jongeren van 16 tot en met 23 jaar. In de praktijk blijkt deze groep bijna geheel uit Marokkanen te bestaan.

Meer dan de helft van de gevangenen in Nederland is jonger dan dertig jaar. Er komt zelden iemand van boven de dertig in de gevangenis, die er niet al eens eerder heeft gezeten, zegt Van der Maal. “De ouderen”, denkt hij, “vinden andere wegen om hun hebzucht te bevredigen. Ik ken een man die tien jaar geleden de cafés afliep om de kroegbazen voor honderd piek per week zijn "bescherming' aan te bieden. Nu zet-ie gokkasten bij ze neer.”

Zware jongens

De beslissende verandering, daar zijn allen het over eens, is de toename van het aantal langgestraften. Was de gevangenis vroeger inderdaad een plaats waar allerlei mensen binnenkwamen, nu zijn vrijwel alleen de zware jongens overgebleven. Sinds 1986 is het aantal gevangenen dat een korte tijd moet zitten, sterk teruggelopen. Het aantal dat van een tot negen maanden cel had gekregen, bleef min of meer stabiel. De grote stijging begint bij de gedetineerden die langer dan 9 maanden de cel in moesten. Die categorie is bijna verdubbeld.

Er zijn categorieën gevangenen verdwenen. Degenen die de wegenverkeerswet hadden overtreden bijvoorbeeld. In 1977 zat 41 procent van de gedetineerden vast omdat ze dronken achter het stuur hadden gezeten of hun verkeersboetes niet hadden betaald. In 1991 was dat nog maar één procent. Ook wat Meertens noemt "de pechvogel' is zeldzaam geworden in de gevangenis: de inbreker die 's avonds met zijn koffertje op stap gaat, een ruit uitsnijdt en door de politie wordt betrapt. Stam: “Als zo iemand de gevangenis uitging, had je een gevoel van "dat komt wel goed'. Hij zou waarschijnlijk nooit een eerzaam burger worden, maar hij zou ook geen mensen overhoop steken.” Nu kijkt hij de vertrekkende gedetineerden zorgelijk na: die ziet hij over een paar maanden al weer terug en misschien wel met een ergere misdaad achter hun naam.

Wat overblijft is een concentraat van zware jongens: leden van de georganiseerde misdaad, voor wie de gevangenis een risico van het vak is. Het is voor Van der Maal een bron van zorg: al die jonge jongens die met een paar gewelddadige berovingen de gevangenis ingaan, komen er onder de hoede van dit soort beroepscriminelen. “Er treedt een verharding op in de gevangenis. Zowel aan de kant van de gedetineerden, als aan de kant van de bewaarders.”

“Het is nooit "gezellig' geweest in de gevangenis.” Directeur Leliefeld vindt het beeld van de joviale inbreker en de geklofte jongens flauwekul. Maar met de toename van de zwaardere criminaliteit, met zware jongens die vier, vijf, zes jaar in de gevangenis moeten zitten en alleen daarom al vluchtgevaarlijk zijn, is de sfeer in de gevangenis grimmiger geworden. “Het is een mannengemeenschap, met een machocultuur. De jongeren staan meteen klaar met hun vuisten. Het enige wat wij kunnen doen is de detentie tot een goed einde proberen te brengen. Je mag niet verwachten dat wij hen weer helemaal op het goede spoor krijgen.”