De glitter van wansmaak; De terugkeer van de seventies

De zeventiger jaren waren ronduit lelijk, vonden we tien jaar na dato. Het waren de tijden van Foxy Foxtrot met zijn elastieken benen, van toppop-presentator Ad Visser met heupbroek en televisiebril, de Tinaclub (borduur je eigen flaphoed), de Osmonds en Ministeck. Het leek zeer onwaarschijnlijk dat dit decennium van wansmaak ooit nog een revival zou beleven.

In het damestoilet van de Utrechtse discotheek Fellini staat een meisje voor de spiegel. Ze doet verwoede pogingen om de olifantspijpen van haar bontgekleurde broekpak in orde te brengen. “Vanmiddag gescored bij Coos,” verduidelijkt ze tegen een vriendin die net de wc uitkomt. “Maar de bellbottom zit nog wat sloom.”

“Het hele pak is sloom,” mompelt de vriendin die haar lippen nog snel even bijstift.

“Hoe bedoel je?”

“Nou, precies wat ik zeg. Ik vind die jumpsuits knetterlelijk!”

Het is toch vreemd. Tien, vijftien jaar lang hebben we begrippen als soulpijp, plateauzool en flyerblouse consequent uit onze vocabulaire gebannen. Een patchwork gilet was helemaal fout, een batik overgooier was ronduit ordinair, om nog maar te zwijgen van zo'n getailleerd no-iron overhemd met puntkragen. Als je je in een dergelijke outfit de klas inwaagde, lag je onherroepelijk uit de groep. Zelfs een scheiding in het midden leverde je al het gevreesde predicaat tuthola op.

De zeventiger jaren waren ronduit lelijk, vonden we tien jaar na dato. Het waren de tijden van Foxy Foxtrot met zijn elastieken benen, van toppop-presentator Ad Visser met heupbroek en televisiebril, van de buikschuiver, de Tinaclub (borduur je eigen flaphoed), de Osmonds en Ministeck. Het leek zeer onwaarschijnlijk dat dat decennium van de wansmaak ooit nog een revival zou beleven.

Maar het euvel is toch geschied. Stap op een willekeurige avond de Amsterdamse RoXy binnen of snuffel even door de rekken van Mac & Maggie en je zou zweren dat je in een Toppop-uitzending anno 1974 bent beland. Wat je ziet is een eindeloze parade van lang verketterde tuttigheid. Logge spijkerjurkjassen. Startrek-pulli's, hotpants, blokhakken en pompoenpetten. It's hip to be square.

“Uiteindelijk raken oenen toch nog in de mode,” stelde het Engelse life style-blad The Face deze maand. In hippe discotheken wordt de house-muziek steeds vaker onderbroken door een oudje van ABBA, een bootleg van Björn Again of de glossy disco van Erasure. En geen tv-programma was het afgelopen half jaar zo veelbesproken als Kreatief met kurk. “Het is in om een "slechte' smaak te cultiveren”, schrijft de redactie van het filmtijdschrift Skrien als inleiding op een Cult en Camp-nummer. “Het is in om het mooie, leuke en ontroerende in het lelijke, lullige en banale te zien.”

Vroeger kon je je vasthouden aan de wet van de gulden snede. Ware schoonheid was terug te vinden in de natuur. In natuurlijke verhoudingen. De afstand tussen de knoppen van een bamboestengel stond model voor de knopentrits op het herenkostuum en een domtoren werd ontworpen volgens het bladnerfmotief.

Niet iedereen verklaarde onze voorkeur aan de hand van natuurwetten. De Schotse filosoof David Hume (1711-1776) bijvoorbeeld, geloofde niet dat de persoonlijke smaak inherent is aan de objecten die je bewondert of versmaadt. “Schoonheid,” was zijn stellige overtuiging, “bestaat slechts in de geest van de waarnemer”.

Humes theorie werkt nog steeds, is in de loop der eeuwen zelfs een kleine open deur geworden. Volgens managing editor Harriet Calo van Avenue is bijna niets zo benvloedbaar als onze smaak. “Voor de oorlog stelde je niets voor zonder kunstmatige blozende wangetjes, terwijl je er na de oorlog niet meer mee aan kon komen. In de zeventiger jaren moest je je ogen zwart omranden met kohl, zodat je er als een soort doodskopje uit zag. En korte tijd later vonden we oranje ineens weer een lelijke kleur. Dat is het nog steeds volgens onze smaakopvattingen, maar als je die kleur de hele dag om je heen ziet, zoals dit seizoen, ga je hem vanzelf weer mooi vinden.”

Hoe bestendig is onze smaak eigenlijk nog? Kennelijk kun je je erin oefenen om het wanstaltige mooi te vinden. Destijds had de vermaledijde zeventiger jaren-kleding tenminste nog een zogenaamde transgressieve functie, als inzet van de totale oorlog tegen de gevestigde orde. Epater le bourgeois, was het ultieme doel. Het verhaal van de fatsoensrakkers en de generatieconflicten is inmiddels overbekend. Mooi of lelijk deed eigenlijk niet zo ter zake, als pa en ma maar van de uitdossingen walgden.

De ideologische betekenis die de oude soulkikkers aan hun nylon en trevira 2000-kledij toekenden, wordt tegenwoordig voor het gemak maar verworpen. “Er is geen authentieke kleding meer,” schrijft Jean Baudrillard in La Mode, ou la féerie du code. “Mode is slechts een immoreel en frivool spel met alle mogelijke sociale tekens. In de mode tekent zich alleen nog verzet af, zonder doel. In de mode wordt niets meer bevochten, zij vecht slechts tegen zichzelf. Alle modieuze tekens, alle tekens die ooit een kledingstijl hebben bepaald, worden in steeds nieuwe combinaties ter discussie gesteld.”

Choqueren om het choqueren dus. Ofwel, het democratiseren van de lelijkheid. Schrijfster Susan Sontag noemt het verschijnsel "genieten-tegen-de-heersende-normen-in' Camp. “Camp is genereus. Het veroordeelt de slechte smaak niet, maar gaat ermee aan de haal. Het vulgaire dost zich uit. Het tooit zich, niet met de glacis van kwaliteit, maar met de glitter van wansmaak.”

Van schoonheid is geen sprake meer als het gaat om de hernieuwde belangstelling voor de Bonnie St. Claire-jurkjes van weleer en de glitterpakken van de Beegees. En erg oprecht is de dweperige trend evenmin. It's just for the fun, zoals Sontag zelf zegt. “Camp is een overstilering, een pose.”

De slechte smaak mag dan in een hoog aanzien staan dit seizoen, de adoratie beperkt zich tot de comeback van de seventies. Het blijft voorlopig not done om met Robin Hood-laarsjes, dan wel Vanilia-broeken over straat te gaan. Favoriete merken zijn Hunza, Tark, Dolce & Gabbana, Versace en het Waterlooplein.

Als het aan de Amerikaanse modeontwerper Isaac Mizrahi ligt, komt er snel een einde aan de zeventiger jaren-opleving. In Harper's Bazaar klaagde hij onlangs: “Als het zo chic is om er grungy uit te zien, waarom is het dan niet chic om bedorven kip te eten?” Mizrahi is inmiddels de strijd aangegaan met de gebreide arbeidersmutsjes, het tie & dye-spul en de vette oogmake-up. “Let op, over twee maanden zijn we weer beeldschoon en elegant!”

    • Jutta Chorus