Dansleerlingen R'dam overtreffen professionals

Dansvoorstellingen in het Internationaal Theaterschool Festival te Amsterdam. Gezien op 18, 19, 21 en 22 juni

De Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten heeft een aantal verschillend getinte dansopleidingen onder haar hoede. Het dansonderdeel van het Internationaal Theaterschool Festival dat de school organiseert biedt daardoor een waardevolle variatie aan stijlen en visies. De pure en technisch meest veeleisende klassieke dans werd getoond door de Nationale Balletacademie die samen met het Praags Dansconservatorium (de school waar Jiri Kylian zijn opleiding kreeg) een programma verzorgde, hoofdzakelijk bestaande uit befaamde fragmenten uit het romantisch-klassiek repertoire, aangevuld met enkele caractère dansen en het eigentijdse werk White Streams van choreograaf Ed Wubbe. Meest opvallend in die voorstelling was het in wezen gelijkwaardige en goede niveau van de jonge dansers, al waren er zeker ook verschillen. Zo was het mannelijk aandeel van de Praagse school sterker en prominenter, met name de tweeling Otto en Jiri Bubenicek en de door NDT 2 geëngageerde Václav Kuns hebben absoluut solistische potentie. Verder bleek dat de Praagse studenten minder voorzichtig en bedachtzaam, maar ook gemaniëreerder en clichématiger te werk gingen dan hun Nederlandse collega's, die zich zekerder en rijper presenteerden dan in vorige jaren. Een duidelijke vooruitgang dus met Henna Lee, Denise Kromopawiro en de opvallend levendige Bobby Morel als uitspringende talenten.

In de voorstelling die ik buiten het festival van de tweede Nederlandse klassieke opleiding zag - die van het conservatorium in Den Haag - is er meer evenwicht te signaleren tussen het niet geringe technische kunnen en de dansante kwaliteiten van de aankomende dansgeneratie. Daar kreeg je nergens het gevoel dat er figuurlijk op de tenen gelopen moest worden, terwijl de zuiverheid en afwerking toch niet in het gedrang kwam. Vooral van de prille spirituele en technische rotsvaste Tomo Sato valt in de toekomst veel te verwachten. Op het gebied van de zeer uiteenlopende eigentijdse dansvormen boden de voorstellingen die ik zag van de Rotterdamse Dansacademie en de Amsterdamse Moderne Dansafdeling interessant vergelijkingsmateriaal. Beide opleidingen richten zich vooral op de uitvoerende kant ten behoeve van Nederlandse en buitenlandse moderne gezelschappen. De Rotterdamse opleiding stak dit jaar met kop en schouders uit boven de Amsterdamse. Hun programma was opgebouwd uit onderdelen van belangwekkende werken gemaakt door choreografen als Jacqueline Knoops, Bianca van Dillen, Beppie Blankert en Ferie de Geus en dat betekende een fikse uitdaging, die de studenten met verve en kunde aangingen, terwijl Pieter de Ruiter een fraai nieuw werk creëerde dat eveneens pittige eisen stelde. Er was niets leerlingachtigs aan deze voorstelling en er werd zelfs beter gedanst dan in sommige op het professionele vlak werkzame groeperingen. Ook bij de Amsterdammers was gekozen voor choreografieën van gevestigde dansmakers uit het moderne circuit. De uitvoering en presentatie was echter veel minder overtuigend en er was ook minder werkelijk talent te bespeuren.

De Opleiding Docent Theaterdans presenteerde zich in het festival met een kwalitatief middelmatig, uit verschillende dansstijlen bestaand programma, dat vooral liet zien dat er aan de persoonlijkheid van de studenten stevig gewerkt wordt, maar dan hun dansvakkundigheid van beperkte aard is. In de laatste dagen van het festival dat tot 26 juni duurt zijn nog voorstellingen te zien van de School voor Nieuwe Dansontwikkeling, zowel uit Arnhem als Amsterdam, waarin het accent op het eigen werk van de studenten ligt en van de Opleiding Jazz-, Theater- en Showmusicaldans van de afdeling van de Theaterschool.