Universiteiten en hoogleraren gaan uit lijfsbehoud de boer op

Er is lang geklaagd over het isolement, de "ivoren toren', van de universiteiten. De moderne universiteit heeft zich echter ontwikkeld tot een ondernemende instelling. Maar aan dit "maatschappelijk engagement' kleven talrijke bezwaren.

De "ondernemende universiteit' is in de discussie over "bijklussende hoogleraren' naar aanleiding van het vertrek van staatssecretaris In 't Veld, eenzijdig in beeld gebracht. De buiten-universitaire werkzaamheden, al dan niet in de tijd van de baas uitgevoerd, worden de ex-staatssecretaris enerzijds aangewreven als te overdadig, omdat men meende dat hij zo onmogelijk aan zijn reguliere verplichtingen heeft kunnen voldoen. Niet het "bijklussen' op zichzelf, maar de "maatvoering' bleek aanstoot te geven.

Anderzijds wordt met nadruk opgemerkt dat In 't Veld zich heeft gedragen conform de nieuwe ideologie van de universiteit, een ideologie die destijds mede werd onderschreven door minister Ritzen. In die visie was In 't Veld hooguit normstellend in positieve zin: een voorbeeld om te volgen. Zijn tegenstanders hadden het curriculum van de staatssecretaris slechts aangewend om hem politiek beentje te lichten. Met name uit het PvdA-establishment (Heertje, Patijn, Gevers) klonk verontwaardiging en werden de buiten-universitaire activiteiten van In 't Veld geprezen. Als iedere wetenschapper zich zo zou gedragen zou de malaise aan de universiteit snel tot het verleden behoren, zo was de teneur.

Wat is die ondernemende universiteit nu precies en welke mogelijkheden biedt deze aan creatieve hoogleraren?

De gedachte van de ondernemende universiteit berust op twee pijlers. De meest ideologische of zo men wil idealistische heeft te maken met de overtuiging dat de wetenschap en dus wetenschappers een centralere plaats in de samenleving moeten krijgen. Men moet de ivoren toren van de zuivere wetenschap verlaten en zich inzetten voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Bovendien moet men zich niet te goed achten voor het uitvoeren van opdrachtonderzoek van overheid en bedrijfsleven.

Het eerste aspect van dit "maatschappelijk engagement' is allesbehalve nieuw en kan beschouwd worden als een nuttig gebleken restant van de idealen uit de jaren zestig en zeventig toen men zich in groten getale schaarde achter de overtuiging van de "maatschappelijke' relevantie van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

Kan deze eerste pijler nog met enige goede wil beschouwd worden als een eigen "visie' op het universitair onderwijs en onderzoek, zo niet de tweede. Onder het mom van maatschappelijke verantwoordelijkheid betekent het ondernemen in veel gevallen dat de universiteit vanwege stringente bezuinigingen gedwongen is om veel meer dan voorheen te voorzien in de eigen middelen. Om zuiver praktische redenen moet universitair personeel de boer op om aan het werk te kunnen blijven.

Verwerving van fondsen kan op twee manieren worden uitgevoerd. In de eerste plaats door het aantal studenten op te voeren. De universiteit wordt immers gefinancierd op grond van studentenaantallen. Daarvoor zijn weer verschillende stategieën mogelijk: aantrekkelijk maken van bestaande studies, ontwikkelen van nieuwe studierichtingen en het opzetten van aanvullende opleidingsmogelijkheden in de vorm van cursussen.

Deze vernieuwing van de universiteit is niet of nauwelijks ingegeven door een wetenschappelijke instelling of overtuiging of door een wetenschappelijk belang, maar door lijfsbehoud en concurrentiepositie, hetgeen zich vertaalt in de aard en kwaliteit van de nieuw gevestigde opleidingen aan de universiteiten. Men tracht vooral studenten van het HBO weg te kapen door "kunde'-opleidingen te ontwikkelen, en niet zonder succes.

Deze studievarianten sluiten bovendien goed aan op de ideologie van de ondernemende universiteit, omdat het "maatschappelijk belang' veel minder dan bij de "oude studies' wordt gehinderd door verwachtingen en eisen die kleven aan een meer op zuivere wetenschapsbeoefening ingestelde traditie.

In de tweede plaats kan geld worden verdiend door het verhogen van de produktie, veelal onder het mom van het verhogen van de wetenschappelijke kwaliteit. De ondernemende universiteit wordt daarom tevens getypeerd door het kwantificeren van output. Dat wil zeggen dat, vanwege de verdeling van middelen, de gezamenlijke prestatie van een universitaire afdeling wordt uitgedrukt in het aantal artikelen, rapporten en dergelijke en niet in de kwaliteit daarvan. De artikelen en rapporten worden geteld maar niet gelezen.

Deze kwantitatieve controle benvloedt de houding van het wetenschappelijk personeel ten opzichte van de eigen produktie: ook daar geldt allengs het aantal publikaties als belangrijker dan de inhoud ervan. Ook promoties lijken aan dit proces ten offer te vallen: dissertaties brengen geld in het laatje en de produktie van dissertaties lijkt het te winnen van het wetenschappelijk gehalte ervan.

In de derde plaats kan de universiteit fondsen verwerven door actief te zijn op de markt van onderzoeksopdrachten. Dit fenomeen is aan de universiteit bekend geworden onder de naam "derde geldstroom-onderzoek'. Om dit onderzoek te organiseren zijn aan de meeste universiteiten speciale onderzoeksinstituten opgericht. Voor de hoogleraar en universitair hoofddocent die zich creatief wil inzetten voor zijn ondernemende universiteit liggen hier mogelijkheden, maar ook voor de ondernemende hoogleraar en hoofddocent die zijn universiteit creatief wil aanwenden.

Om voldoende fondsen te verwerven kunnen hoogleraren met een goede conduitestaat en vooral veel contacten heel waardevol zijn. Zij kunnen zorg dragen voor enige continuteit in de opdrachten. Acquisitie van onderzoek kan tot hun taak gerekend worden in een ondernemende universiteit, waartegenover geen extra beloning behoeft te bestaan, juist omdat het tot hun takenpakket wordt gerekend. Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen de hierboven geschetste ondernemende universiteit en een ander verschijnsel dat binnen de muren van de universiteit aan populariteit heeft gewonnen: de hoogleraar als ondernemer. Er zijn twee hoofdvarianten.

De eerste variant is de wetenschapper die de universiteit gebruikt als visitekaartje voor de eigen onderneming en daar al dan niet een zekere vergoeding tegenover stelt. Van sommige vakgroepen wordt beweerd dat de leden worden aangemoedigd om in deeltijd aan de universiteit verbonden te blijven en daarnaast een bloeiende praktijk in het advies- of onderzoekswezen op te zetten. Niets siert de particuliere adviseur meer dan een visitekaartje van de universiteit. Niet de universiteit is hier dus ondernemend, maar de wetenschapper. De universiteit is slechts statusverlenend, en legitimerend door de suggestie van wetenschappelijk niveau.

De tweede variant is de wetenschapper die de universiteit gebruikt als infrastructuur voor zijn eigen bedrijf. Het binnenhalen van onderzoek via een universiteit in een eigen onderneming is een meer bedenkelijke variant van dit wetenschappelijk ondernemen. Dit in de sociale wetenschappen nog nieuwe gebruik wordt onder meer goedgepraat door te wijzen op de beroepsuitoefening van medisch specialisten.

Deze ondernemende wetenschapper binnen de universiteit moet dus goed onderscheiden worden van de ondernemende universiteit als instelling.

De ondernemende universiteit en de universitaire ondernemer hebben beide consequenties voor de oorspronkelijke taak van de universiteit. De vier grootste bedreigingen voor haar voortbestaan als instelling waarin wordt gestreefd naar de ontwikkeling en overdracht van wetenschappelijke kennis zijn: - De ondernemende universiteit is bezig haar wetenschappelijke autonomie in te ruilen voor hand en spandiensten aan uit haar eigen midden opgekomen ondernemers, een proces dat niet alleen de universiteit schaadt als onderneming, in economisch en sociaal opzicht, maar ook als instituut dat een belangrijk cultuurgoed dient te bewaken. - Derde-geldstroom onderzoek is toegepast en veelal snel uitgevoerd onderzoek. Dit draagt niet of nauwelijks bij aan nieuwe wetenschappelijke inzichten en beoogt dit ook niet. Men is veelal snel bereid concessies te doen aan de kwaliteit ten koste van het bereiken van een verondersteld acceptabel eindresultaat. Voor wetenschappelijke scherpslijperij ontbreekt tijd en geld. - De universiteit kan worden benadeeld door de ondernemende wetenschapper die zij heeft aangesteld, omdat deze zijn instelling concurrentie aandoet op een toch al krappe markt. Dit heeft ook rechtspositionele consequenties voor onderzoekers die verbonden zijn aan de onderzoekinstituten van de universiteiten. Hoe dichter men staat bij de opdrachten verwervende hoogleraar, hoe groter de kans dat men mag blijven. - Ten slotte en paradoxaal genoeg bedreigt dit proces ook de dienstbaarheid van de universiteit aan de samenleving, omdat op lange termijn de kwaliteit van hetgeen de universiteit nog te bieden heeft zodanig is afgenomen dat haar probleem-oplossende bijdrage te verwaarlozen is en commerciële instellingen definitief het voortouw kunnen nemen in quasi-wetenschappelijk ondernemen.

De hoop van de universiteit kan dan nog slechts gevestigd zijn op kabinetten en ministeries die veel proefballonnen op hun stijgvermogen willen laten onderzoeken.