"Renegaten' in Wenen voeren vertragend gevecht

De Weense VN-conferentie over de mensenrechten heeft enkele hordes genomen, maar of ze ongeblesseerd de eindstreep haalt is de vraag. Een Hoge commissaris voor de rechten van de mens komt er waarschijnlijk niet, omdat Derde wereldlanden daarin een mogelijke bedreiging van hun soevereiniteit zien. En ook "Bosnië' blijft als een donkere wolk boven "Wenen' hangen.

WENEN, 23 JUNI. De schuldigen bij de naam noemen terwijl de onderhandelingen nog lopen doen diplomaten alleen als ze heel boos zijn. De Amerikaanse delegatieleider John Shattuck, dreigde gisteren bij mislukking van de Wereldconferentie van de Verenigde Naties over de mensenrechten, bekend te maken wie dat op zijn geweten heeft. Zijn inmiddels vertrokken voorganger Timothy Wirth, duidde landen die in Wenen een vertragingstactiek toepassen eerder aan als “renegaten”.

Maar een Nederlandse diplomaat noemde ondiplomatiek man en paard: Maleisië, Pakistan, Singpore, Syrië, Jemen en Vietnam hadden hun steun voor een al lang aanvaard deel van het "actieprogramma' weer ingetrokken en dat was “heel erg slecht”. Het ging om uitbreiding van de financiële middelen ten behoeve van het VN-centrum voor de mensenrechten in Geneve, dat opgewaardeerd zou moeten worden.

Zulk ongenoegen bij Westerse deelnemers tekent de sfeer op de conferentie, die nog tot vrijdag duurt. “We blijven hopen, maar we zijn zeer bezorgd”, zei Shattuck. Zijn Duitse collega Gerhart Baum formuleerde het anders maar bedoelde hetzelfde: “Alles is nog niet verloren, maar we zijn nog niet over de berg heen.” Die "berg' bestaat uit vier onderwerpen: de universele geldigheid van de rechten van de mens; het verband tussen ontwikkeling en mensenrechten; aanvaarding van het beginsel dat landen op de schendingen van de mensenrechten kunnen worden aangesproken en versterking van de organen van Verenigde Naties die op dit gebied actief zijn. De eerste twee punten zijn zo goed als geregeld.

“Alle mensenrechten zijn universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en staan in verband met elkaar”, zo is overeengekomen. Om landen die hun culturele eigenheid vastgelegd wilden zien - vooral in Azië en het Midden-Oosten - tegemoet te komen is een toevoeging gemaakt: “Terwijl gelet moet worden op de betekenis van nationale en regionale bijzonderheden en diverse historische, culturele en religieuze achtergronden, is het de plicht van staten, ongeacht hun politieke, economische en culturele systemen om alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te bevorderen en te beschermen.” Met deze worst van een zin was op dit punt de kou uit de lucht. De kwestie van het verband tussen de mate van economische voorspoed in een land en de prestaties op het terrein van de mensenrechten was in feite al aan het begin van de conferentie geregeld. Toen hadden de Verenigde Staten verklaard hun jarenlange verzet tegen het beginsel van het recht op ontwikkeling op te geven. In de slotverklaring staat dat nu omschreven als “een universeel en onvervreemdbaar recht en een integraal deel van fundamentele mensenrechten”. Bovendien is het belang van democratie voor mensenrechten en ontwikkeling - waarop het Westen heeft gehamerd - in een paragraaf vastgelegd en heeft men zich verenigd om de praktijk van martelen te verwerpen, waarbij voor het eerst het ongestraft laten van de daders wordt afgekeurd.

Maar deze punten hadden vooral een "declaratoir' karakter - ze raken weliswaar principes maar het is betrekkelijk pijnloos voor een land om er gevolg aan te geven. Dat ligt anders bij de versterking van het VN-systeem om bij schendingen van de mensenrechten in een vroeg stadium te kunnen ingrijpen, en bij de kwestie van de aanspreekbaarheid van landen als de mensenrechten geweld wordt aangedaan. Hier zijn akkoorden tot nu toe uitgebleven en hebben de onderhandelaars of de echte problemen voor zich uit geschoven, of is men teruggekomen van eerdere afspraken, zoals in het geval van de financiering van het Centrum voor de mensenrechten. Over de benoeming van een zogeheten Hoge Commissaris voor de mensenrechten, of een daarmee vergelijkbare functionaris is, vooral wegens verzet van veel Derde-wereldlanden, nog nauwelijks serieus gesproken. Deze gezaghebbende coördinator zou bijvoorbeeld verantwoordelijkheid moeten krijgen voor de mensenrechten bij vredesoperaties en acties voor humanitaire hulp. Verder zou hij rechtstreeks toegang tot de VN-Veiligheidraad moeten hebben om ernstige schendingen van de mensenrechten onder de aandacht te brengen die vrede en veiligheid bedreigen. En hij zou de onafhankelijke autoriteit moeten bezitten om speciale gezanten op missies te sturen om uit te zoeken hoe het met de mensenrechten in een land is gesteld.

Dit gaat vooral de landen op de conferentie te ver die op het punt van de mensenrechten een zorgelijke staat van dienst hebben - en dat zijn er heel veel - en dit beschouwen als "inmenging in binnenlandse aangelegenheden'. Algemeen wordt verwacht dat de Hoge Commissaris er voorlopig niet zal komen.

Datzelfde geldt voor een aanbeveling om de mogelijkheden na te gaan van de instelling van een internationaal hof voor de mensenrechten. Ook hier zeggen met name veel ontwikkelingslanden aantasting van hun soevereiniteit te vrezen. Minder spectaculair maar van even groot belang is de versterking van het Centrum voor de rechten van de mens. Ook dit zou betrokken moeten worden bij vredesoperaties, zo vinden Westerse landen, en het zou op z'n minst directe toegang moeten krijgen tot de secretaris-generaal van de VN om grootscheepse schendingen van de mensenrechten aan te kaarten met het oog op mogelijk ingrijpen door de Veiligheidsraad.

Bovendien zou het Centrum meer armslag moeten krijgen voor de bestaande activiteiten, zoals rapportage en hulp aan landen bij het nemen van maatregelen om de mensenrechten beter te beschermen. Nu al kan het Centrum, dat over minder van een procent van de VN-begroting en over slechts driekwart procent van de VN-staf beschikt, haar taken niet naar behoren uitvoeren, zeggen betrokkenen, en de technische en administratieve uitrusting wordt uiterst primitief genoemd.

In Westerse kring is men er niet gerust op dat de Weense conferentie alsnog het besluit zal kunnen nemen hierin verbetering te brengen. De vraag wordt dan ook steeds nadrukkelijker gesteld of de bijeenkomst, die was opgezet was om de mensenrechten op een hoge plan te krijgen na het wegvallen van de controverses tussen Oost en West, nog aan dit doel kan beantwoorden.

Een extra complicatie is de druk die islamitische landen op de conferentie uitoefenen om een resolutie aangenomen te krijgen die onder meer pleit voor opheffing van het wapenembargo tegen Bosnië. Het Westen wil niet verder gaan dan een verklaring waarin alleen de schendingen van de mensenrechten in Bosnië aan bod komen en Afrikaanse landen vinden dat het bij herhaling vermelden van Bosnië geen recht doet aan volgens hen even ernstige situaties in Angola, Somalië en Liberia.

De islamitische landen staan echter op politieke uitspraken en aan opheffing van het wapenembargo zou niet te tornen zijn. “Wij hebben een koppeling gelegd tussen de verklaring over Bosnie en het slotdocument van de conferentie”, sprak de Pakistaanse ambassadeur, Agha Shahi, gisteren dreigend. Een Westerse delegatieleider omschreef de kwestie als “een donkere wolk boven de conferentie”.

    • W.H. Weenink