Lichting '93 van Filmacademie: overwegend clichés en epigonisme

Elke voorzomer opnieuw presenteren de eindexamenleerlingen van de Filmacademie, die inmiddels de Nederlandse Film en Televisie Academie is gaan heten, de films waarmee ze hun opleiding afsluiten. Tientallen namen trekken voorbij, en je weet dat het maar de vraag is of je ze ooit opnieuw in een donkere bioscoopzaal zult waarnemen. Een aantal afgestudeerden zal immers buiten het filmbedrijf emplooi vinden, het merendeel zal, als regisseur, als director of photography, als scenarist, licht- of geluidsman/vrouw gaan werken in de opdrachtfilm-sector of bij de televisie. Alleen bij uitzondering zal iemand sterk genoeg zijn om zich te kunnen profileren in speelfilms. Nu al weer enkele jaren heeft de Filmacademie, zoals ik de school toch maar blijf noemen, op de regieopleiding die scheiding genstitutionaliseerd. Regieleerlingen worden vanaf het tweede studiejaar verdeeld in twee groepen. In de ene wordt men opgeleid tot "audiovisueel programmamaker', de ander is een keurtroepje dat zich mag gaan onderscheiden als "fictie-regisseur'.

Wat dat schisma concreet betekent, werd duidelijker dan ooit te voren bij de vertoning van het werk van wat zich afficheerde als de Lichting 93. Alle films die afkomstig waren van de "AudioVisuele' afdeling bereikten hooguit een zeer gemiddeld niveau; meestal waren ze gewoon onder de maat. De studenten die een opdracht- of voorlichtingsfilm maakten, bleken tot niet meer in staat te zijn dan vaak gebrekkig te imiteren wat er op dit gebied al decennia bestaat. De enkelingen die verkozen commercials of een videoclip te produceren waren zelfs niet in staat tot navolging - na een van de reclamespotjes bleef bijvoorbeeld onduidelijk wat voor produkt het eigenlijk propageerde. En zij die zich toelegden op het televisiedrama verloren zich onveranderlijk in cliché's en onhandige vertelde, vaak topzware verhalen.

De hele AV-afdeling leek des te overbodiger, want er waren heus wel geschikte televisiedrama's, alleen kwamen die van de speelfilm-afdeling fictie. Hier zitten de aspirant kunstenaars en dat uitte zich nu en dan in onbeheerst epigonisme. Zo volgde Arie Verboon nadrukkelijk Krzysztov Kieslowski na met zijn film Het vlees is zwak en deed de quasi-documentaire Wooden Shoes and What About Holland onverantwoordelijk veel denken aan het werk van Peter Greenaway. Maar bleef men zichzelf, zoals Casper Thiel (Een wals aan zee) of realiseerde men zich de invloed van zijn lichtende voorbeelden (Elbert van Strien: De marionettenwereld) dan ontstond er bruikbaar materiaal voor de omroepen. In de fictie-groep onderscheidde zich alleen Boris Paval Conen als origineel talent. Zijn film Horror Vacui kan bogen op de autonome creativiteit die de speelfilmmaker onderscheidt. Conen roept een eigen universum op, speelt met theatrale conventies zoals alleen mogelijk is op film en weet kracht en spanning te suggereren waar in feite niets concreets is aan te wijzen. De filmschoolleerlingen metdocumentaire aspiraties wilden dit jaar niet uitblinken. Alinda van Dijk liet een gouden onderwerp, de heteroseksuele mannelijke prostitutie, uit haar handen vallen door een gebrek aan nieuwsgierigheid in combinatie met overmatige schuchterheid. Met The Mind Frame verstrikte Tessa Boerman zich in een impressie van rassenhaat in Harlem die stuurloos rondtolt, waarbij ze zich nu eens herhaalde en dan weer tekort schoot in cruciale informatie. Maar Boerman had het geluk te werken met de camera- annex lichtvrouw Annette Hamilton - een van de meest talentvolle en veelzijdige eindexamenleerlingen van dit jaar. Hamilton wist met haar licht en beeld de juiste sfeer te scheppen voor zeer uiteenlopende projecten. Door haar broeierige cameravoering oefende zij bijvoorbeeld een beslissende invloed uit op de enige documentaire die, ondanks een rommelige structuur, stand hield: Wind aan zee, waarmee Josien Braam een gevoelig portret schilderde van een op te heffen duincamping onder de rook van de Hoogovens en de habitué's die, vaak na tientallen jaren, hun caravans moesten achterlaten voor de schroothandelaar.

    • Joyce Roodnat