Het Westen herhaalt in Bosnië het verraad van München

Het Westen is sinds "München 1938' niet wijzer geworden: het gedraagt zich in de kwestie-Bosnië als de meester die liever de andere kant uitkijkt als zijn leerlingen een jongetje mishandelen. Uiteindelijk roept het Westen daarmee het kwaad over zichzelf af. Dat zei gisteren NRC Handelsblad-redacteur Michael Stein toen hij de Dick Scherpenzeelprijs in ontvangst nam. Hieronder zijn bekorte dankwoord.

De meesten van ons kennen Bosnië-Herzegovina uit een nabij verleden als een land van toeristisch avontuur. Een land op slechts twee tot drie vlieguren van ons vandaan. Kortom, onze verre buurman, helaas ver genoeg om ons er niet al te zeer om te bekommeren. Vandaar misschien, dat ook de internationale media hun belangstelling voor Bosnië een beetje beginnen te verliezen. Want de afnemers van het nieuws in het Westen zijn het Bosnische drama zat.

Datzelfde Bosnië-Herzegovina werd vorige week ter dood veroordeeld, toen onder andere de Amerikaanse president Clinton en Lord Owen namens de EG officieel meedeelden dat wij thans bij onze beoordeling van de situatie in Bosnië-Herzegovina moeten afgaan op de voldongen feiten die aldaar geschapen zijn.

Die voldongen feiten zijn dat de Bosniërs eerst bij tienduizenden vermoord en verkracht en bij honderdduizenden op de vlucht gejaagd konden worden, zonder dat zij in staat waren zich daartegen te verzetten. Vervolgens besloten de in Bosnië woonachtige Serviërs en Kroaten, met actieve steun van hun volksgenoten over de grenzen, om Bosnië op te delen en de moslims een in stukjes gehakt indianenreservaat te geven. De Europese Gemeenschap deelde mede dat zij de gang van zaken betreurt, maar helaas de slachtoffers niet daadwerkelijk kan helpen. Die kregen de dringende raad om met gebonden handen en voeten met hun vijanden te onderhandelen en er het beste van te maken.

Het is voor het Westen dringend noodzakelijk het thans te creëren Bosnische reservaat in stand te houden, omdat de Westerse regeringen er niet over peinzen meer dan twee miljoen Bosnische vluchtelingen op te nemen. Wij verwerpen wél het beginsel van de etnische zuiveringen, maar wij verzetten ons niet tegen de praktijk van de etnische zuiveringen. Integendeel, zowel de Europese Gemeenschap als de VS gaat nu akkoord met de opdeling van Bosnië in drie stukken.

De Bosniërs zijn in die situatie beland als gevolg van een door de VN in 1991 gedecreteerd wapenembargo. Het toen nog onder leiding van de Serviërs staande Joegoslavië stemde daarmee van harte in, omdat de Serviërs over vrijwel alle wapens en wapenfabrieken beschikken en zo'n embargo hen dus niet echt raakte. Het wapenembargo - en daarmee het impliciete verbod aan de Bosniërs om zichzelf te verdedigen - is nog steeds van kracht, waarbij de voorstanders een veelvoud van redenen aanvoeren:

Meer wapens zorgen voor meer bloedvergieten, voor nog meer chaos en voor een verlenging van het bloedvergieten. En dat willen beschaafde mensen, zoals wij, niet. Het is natuurlijk zeer betreurenswaardig dat er nu al in 14 maanden tijd in Bosnië zo'n 200.000 mensen zijn vermoord - de overgrote meerderheid moslims. Maar ja, wat wil je?

Stel dat de geallieerden diezelfde argumenten hadden gebruikt in de Tweede Wereldoorlog: “Laten we ermee stoppen, want anders vallen er nog meer doden”. Of als ze gezegd hadden: “Laten we er maar helemaal niet aan beginnen, maar de Duitse wapenfeiten accepteren - want zó vermijden we een heleboel slachtoffers” - had u daar vrede mee gehad?

De lijst van redelijk klinkende argumenten om onze Pontius Pilatus-houding te verdoezelen, is bijna eindeloos. Ik geef er nog een paar:

Als wij partij zouden kiezen voor de zwaksten en de meest bedreigden in het conflict, geven we de mogelijkheid op om alsnog invloed te hebben op een vredesregeling. Dan worden wij niet langer als neutraal gezien, zodat we niet verder kunnen werken aan onze vredesoplossingen.

Het heeft geen zin de Bosniërs wapens te geven, want dat lost niets op. Zij hebben het al verloren. En het is nu toch al te laat.

Elk ingrijpen van het Westen zou desastreus zijn, omdat het hier om een oud conflict gaat met diepe historische wortels. We zouden dan dertig, vijftig of misschien zelfs honderd jaar blijvend bij de rotzooi aldaar betrokken zijn.

Een wapenembargo zou zinvol zijn, als wij zouden besluiten zélf gewapender hand in te grijpen tegen die partij die de wapens opneemt. Maar wij grijpen niet in, omdat wij niet willen dat onze jongens mogelijkerwijs in lijkenzakken terugkeren.

Blijft dus over als laatste alternatief dat de Bosniërs zichzelf verdedigen. Maar dat willen wij evenmin - alweer in naam van onze vredelievendheid. Want stel je toch eens voor dat die moslims op hun beurt gruweldaden begaan. Dan zijn we toch nog verder van huis?

Tot zover de voorstanders van de politiek om de twee miljoen van huis en haard verdreven vluchtelingen in ex-Joegoslavië een dagelijkse boterham te geven, besmeerd met goede bedoelingen en holle beloften. Zij verwijten diegenen die de meest recente genocide in Europa niet langer kunnen aanzien, dat zij ondoordacht willen handelen.

Zij stellen bovendien dat de Russen elke poging om het wapenembargo naar de Bosniërs op te heffen, in de Veiligheidsraad van de VN zouden blokkeren. Maar onder artikel 51 van het Handvest van de VN bestaat er zoiets als een “inherent” recht op collectieve zelfverdediging. Op grond van dat artikel zou het Westen buiten de Veiligheidsraad om tot actie kunnen overgaan. Zolang echter de politieke wil tot die actie ontbreekt, zullen de rationalisaties voor de onmacht de overhand hebben. Nu Bosnië-Herzegovina vrijwel helemaal is opgegeten door zijn Servische en Kroatische buren en de politieke leiders van het Westen hebben laten weten dat wij "realistisch' moeten zijn en ons bij de geschapen feiten moeten neerleggen, neem ik aan dat wij de eerste vijftig jaar heel veel ontwikkelingshulp zullen moeten geven Bosnië-Herzegovina. Want als het aan de overwinnaars ligt, zal dit Bosnië bestaan uit een minimaal gebied. Zoals een Servische leider onlangs juichte: “Wij zullen van Bosnië een nieuw Lesotho maken.”

Volgens de cijfers van twee maanden geleden werden toen in heel Joegoslavië drie miljoen mensen door buitenlandse hulporganisaties en regeringen van voedsel voorzien, van wie meer dan tweederde in Bosnië. De kosten: één miljard dollar per jaar.

Die kosten kunnen alleen maar in snel tempo oplopen, tenzij we hetzelfde doen als met de Iraakse Koerden: namelijk gedurende een korte tijd een beetje hulp geven, om vervolgens, als de aandacht van de tv-stations is weggeëbd, die hulp langzaam maar zeker in te krimpen.

Europa zal de Bosniërs in ex-Joegoslavië ook heel goed moeten controleren, omdat zij over enkele jaren wraak zullen willen nemen op hetgeen hun is overkomen, waarop wij dan gedwongen zouden zijn actie tegen hen te ondernemen. Hun gevoelens zouden heel gemakkelijk door niet-Europese machten gebruikt kunnen worden om in Europa een extremistisch mini-bolwerk te scheppen, dat zich op alles wat Westers is zal willen wreken. Nu al zijn, blijkens de berichten, de meest recente etnische zuiveringen in midden-Bosnië vooral door mujahideen, oud-Afganistan-strijders uit diverse islamitische landen, uitgevoerd.

Hodie mihi, cras tibi, zeiden de Romeinen. Vandaag ik, morgen gij.

Wij kunnen ons verstoppen achter onze pseudo-veiligheid en ons wijsmaken dat “die lui ginds” in Bosnië, in Libanon of waar u maar wil altijd al gek waren, dat zoiets hier nooit zou kunnen gebeuren, omdat wij hier beter weten, aangezien wij hier zo beschaafd zijn. Dat in slaap sussen van jezelf en de ander terwille van het eigenbelang of om een illusoir gevoel van veiligheid te crëren, is universeel.

Iedereen weet dat er héél lang geleden - alweer vijftig jaar, in deze tijd van snelle consumptiedrift een eeuwigheid - vervelende dingen in Europa zijn gebeurd, die iedereen na afloop van de oorlog zeer zei te betreuren. Naarmate de oorlog verder weg was, vond men de gebeurtenissen van die periode steeds ernstiger. En omdat iedereen het allemaal zo tragisch en betreurenswaardig vond wat er in het recente verleden was voorgevallen, herhaalde men tot vervelens toe bij herdenkingen, inwijdingen van standbeelden, openingen van holocaust-musea en kransleggingen om de gevallen doden te eren, dat zo iets “nooit meer” zou gebeuren.

Om die reden werd er na de Tweede Wereldoorlog door de lidstaten van de VN een anti-genocide-conventie opgesteld, ondertekend door alle Westerse landen en onder meer ook door het voormalige Joegoslavië. Daarin verplichten de lidstaten zich om diegenen die zich zich schuldig maken aan de totale of gedeeltelijke vernietiging van nationale, etnische, raciale of religieuze groepen, alsmede hun handlangers, te berechten.

In overeenstemming met die prachtige voornemens werden de Servische leiders nog maar enkele maanden geleden door de VN in principe als potentieel te berechten oorlogsmisdadigers gebrandmerkt. Dat duurde niet lang, ze zijn nu tot bondgenoten van de Westerse redelijkheid en gematigdheid gepromoveerd. Zij worden dan ook niet langer als agressor betiteld. Daarom weet ik niet wat de leuze “nooit meer” inhoudt. Die leuze had reeds vrijwel alle betekenis verloren toen het Westen ten tijde van de Koude Oorlog politiek gemene zaak maakte met de Rode Khmer, die verantwoordelijk was voor de genocide van de Cambodjaanse bevolking, en ook toen wij nog maar vijf jaar geleden niet al te genteresseerd waren bij de berichten dat Saddam Hussein in eigen land Koerdische steden en dorpen aan het vergassen was.

Wat betekent “nooit meer” als het Nederlandse ministerie van ontwikkelingssamenwerking in harmonie met de Soedanese overheid ontwikkelinghulp blijft geven, terwijl in diverse streken van datzelfde Soedan de bevolking als schadelijke termieten wordt uitgeroeid - nu eens niet op grond van een etnische, maar op grond van een theologische zuivering, die in naam van God en Gods wetten alleen goede moslims recht op leven, op voedsel en op vrijheid geeft?

Als “nooit meer” wil zeggen dat de geschiedenis zich niet volledig mag herhalen, betekent “nooit meer” helemaal niets. Want de geschiedenis herhaalt zich nimmer. Historische omstandigheden en gebeurtenissen herhalen zich daarentegen maar al te graag in vermomming - en altijd op een iets andere wijze dan het oorspronkelijke voorbeeld. Het begrip “nooit meer” zou alleen een zinvolle toepassing krijgen als de consequenties van de lafheid en de ongentereseerdheid uit de jaren dertig tot het inzicht hadden geleid dat de politiek onder geen enkele voorwaarde haar eigen principes mag verraden.

Dat is helaas niet gebeurd. Misschien is het ook teveel gevraagd om aan de massamoord van zoveel miljoenen mensen 50 jaar geleden permanente politieke conclusies te verbinden.

Dus kunnen nu Pakistanen in Engeland, Maghrebijnen in Frankrijk en Turken in Duitsland worden vermoord. Wij houden ons zoet met de gedachte dat dát alleen maar individuele misdaden zijn van gestoorde fanatici. Maar als het zó simpel is, zouden de massamoorden, de groepsverkrachtingen en de etnische schoonmaak, die lang voor Joegoslavië al normaal waren in Iraaks Koerdistan en in Soedan, al veel eerder onze échte verontrusting hebben gewekt en dus tot politiek-militaire maatregelen onzerzijds hebben geleid. In plaats daarvan zeuren we er een beetje over in commissies van mensenrechten - als het ons tenminste politiek goed uitkomt - en gaan vervolgens over tot de orde van de dag.

Als ik tegenover vrienden mijn woede kenbaar maak over wat er onder onze ogen zo vlakbij nu opnieuw gebeurt, en als ik gewag maak van mijn wanhoop dat wij daar kennelijk allemaal vrede mee hebben, vragen ze mij: “Wat moet er dan gebeuren?”

Het antwoord is duidelijk. Wij, als samenleving, hoeven niet er niet alleen maar bij te staan en naar te kijken - zonder iets te doen. Als onze politici en generaals het idee zouden hebben dat we werkelijk menen wat we zeggen, dan grijpen zij politiek, desnoods militair, in in het Bosnische drama. Niet om vrede te stichten - want je kunt strijdende partijen niet met geweld tot vrede dwingen. Wat je wél kunt doen, is de prijs van agressie en massamoord zó hoog opvoeren, dat de baten daarvan niet langer interessant zijn. Een psychopaat, die in je wijk de boel terroriseert, kan ook niet op slag gezond worden gemaakt. Dan bel je de politie, in de hoop dat die misschien een eind maakt aan de terreur. Maar stel dat de politie met allerlei smoesjes weigert op te treden, zoals thans het Westen en de VN doen in het geval van Bosnië, wat kunnen de buurtbewoners dan nog doen? Dan blijft er slechts één mogelijkheid over: zich zo goed en zo kwaad mogelijk te verdedigen.

Als wij echter te genteresseerd zijn in onze niet te verzadigen consumptiedriften en als wij weigeren risico's te nemen om het Kwaad bij de buren te bestrijden, dan zal het Kwaad ons uiteindelijk overweldigen. Dat hebben de gebeurtenissen in de jaren dertig en veertig meer dan voldoende aangetoond.

Zeer onlangs noemde de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Warren Christopher de oorlog in Bosnië “a humanitarian crisis, a long way from home”.

Dat herinnert ons aan wat - bijna letterlijk - premier Neville Chamberlain zei toen hij in september 1938 Sudeten-Duitsland aan Hitler verkocht in ruil voor “peace in our time”. Daarmee tekende hij - samen met zijn Franse collega Daladier - het doodvonnis van Tsjechoslowakije. Op 27 september 1938 sprak hij voor de BBC de onvergetelijke woorden: “How horrible, fantastic, incredible is it that we should be digging trenches and throwing on gasmasks here, because of a quarrel in a far away country between people of whom we know nothing. (...) However much we may sympathize with a small nation, confronted by a big and powerful neighbour, we cannot in all circumstances undertake to involve the whole British empire in war, simply on her account.”

Hij kon dat zeggen, omdat vrijwel niemand zin had in een nieuwe oorlog na de bloedigste oorlog aller tijden, die slechts twintig jaar voordien gevoerd was. De overgrote meerderheid van het Westeuropese publiek was het met hem eens. Dus was Chamberlain in die verschrikkelijke dagen razend populair. Zó populair dat er liedjes over hem werden gezongen, zoals: “God bless you Mr Chamberlain! / We are all mighty proud of you. (...) You know, we are all with you! And when we shout: God bless you Mr Chamberlain, Our hats go off to you!”

Winston Churchill was een van de weinigen in die dagen, die zich tegen Chamberlains politiek verzette. Bijna profetisch zei hij tegenover het persbureau Reuters: “De verdeling van Tsjechoslowakije draagt bij tot de algehele overgave van de Westerse democratieën aan de machtsbedreiging van de nazi's. (....) Niet alleen Tsjecho-Slowakije wordt bedreigd, maar de zaak van vrijheid en democratie in elk land. De opvatting dat de veiligheid kan worden gekocht door een klein land voor de wolven te werpen is fataal zelfbedrog.”

Wat toen gold, geldt nog steeds. Dat weet ieder van ons, onze politici incluis. Daarom zeggen zij nu sussend dat de Bosnische moslims zélf akkoord moeten gaan met de nu ook door het Westen geaccepteerde opdeling van Bosnië, die uiteindelijk zal leiden tot de stichting van een Groot-Servië en een Groot-Kroatië. Daarom zegt minister Kooijmans dat de Bosnische moslims “niet met een mes op de keel tot een regeling moeten worden gedwongen”. Gelooft u het? Waarom zouden de Twaalf nu opeens wel hun nieuwe belofte waarmaken om de Bosnische moslims een economisch levensvatbaar gebied te geven, nadat zij hun heilige beloften van de afgelopen twee jaar om nimmer akkoord te gaan met de gewelddadige Servische gebiedsuitbreiding vergaten?

Tot welke nieuwe sancties zou het Westen bereid zijn, als de Serviërs onverhoopt toch niet bereid blijken te zijn de moslims méér dan een Lesotho te gunnen? Waarom verbeeldt het Westen zich dat een op die manier gevormde moslimstaat Bosnië geen toekomstige bron van haat en wraak zal zijn?

Vrijwel zeker zal de nu beloonde agressie, aangemoedigd door onze holle retoriek en onze in mededogen gedompelde passiviteit, binnenkort elders de kop opsteken - in het door de Hongaren bewoonde Vojdovina, in het door de Albanezen bewoonde Kosovo, in het steeds meer van binnen en buiten bedreigde Macedonië. Maar dáár niet alleen. Want waar vindt men in Oost-Europa en de vroegere Sovjet-Unie de grenzen wél bevredigend? In de Baltische landen, Hongarije, Roemenië, Rusland en Bulgarije - om niet te spreken over de islamitische republieken van de voormalige Sovjet-Unie - bevinden zich overal zeer grote minderheden, die zich alle op de een of andere manier bedreigd of onderdrukt voelen.

Die minderheden worden hetzij weggeveegd in etnische schoonmaak-partijen, die uiteraard bloedig verlopen, óf zij passen zelf etnische schoonmaak toe in de door hen uitgeroepen mini-republiekjes. Nu al is het Verenigde Europa met al zijn mooie idealen een aanfluiting. Ondanks Maastricht begint dat Europa van de Twaalf wat zijn buitenlandse politiek en zijn collectieve veiligheid betreft steeds meer te lijken op het niet-verenigde Europa van de jaren dertig. De Twaalf zijn met z'n allen even onmachtig als elk van de lidstaten apart. Gestimuleerd door de economische recessie en een toenemende angst voor buitenlanders, bouwt dat moderne, verenigde Europa steeds hogere muren aan de oost- en aan de zuidkant, in de ijdele hoop de aanstormende ellende vanuit die streken buiten de deur te houden.

Natuurlijk moet ook die combinatie van groeiend isolationisme en politieke lafheid verdoezeld en gecamoufleerd worden. Vandaar, dat de Franse premier Balladur onlangs opmerkte dat wat zich nu in Joegoslavië afspeelt “nooit meer” mag gebeuren. Hij had de moed om opnieuw met dat nimmer ingeloste “nooit meer” op de proppen te komen - op hetzelfde moment dat hij en zijn Europese collega's zich gereed maakten om voor de eerste maal sinds de Tweede Wereldoorlog een lidstaat van de VN om zeep te helpen.

Hoe wil het Westen een mogelijke en zeer wankele vrede in het Midden-Oosten garanderen, als datzelfde Westen in antwoord op de etnische zuiveringen, de territoriale veroveringen en de onophoudelijke bombardementen van burgerbevolkingen - en dat allemaal vrijwel in eigen huis - slechts klachten, protesten, communiqués en vredesbesprekingen produceert, aangevuld met 19de eeuwse charitatieve hulp voor de getroffen?

Welk schandelijk cynisme gebiedt het om ervoor te zorgen dat vele honderduizenden mensen niet ondervoed te gronde gaan? Dat zij het voorrecht hebben om althans niet als Afrikaanse skeletten te worden begraven?

Europa heeft met stilzwijgende goedkeuring van de VS een van zijn familieleden voor de wolven geworpen. Zelfs als daarvoor goede redenen kunnen worden aangevoerd - quod non - dan nog zal het nieuwe München dat wordt voorbereid, ons aller politieke toekomst zwaar belasten.

Wij staan in onze Westerse zap-cultuur voor een ernstig dilemma. Het is een cultuur waarin de instant-bevrediging tot het hoogste goed is verheven. Het is een cultuur waar wij allen rechten opeisen, maar voor die rechten niet echt willen vechten, aangezien wij gewend zijn geraakt met één druk op de knop aan ons gerief te komen. Vandaar, dat oorlogen als vreselijk worden ervaren, maar “chirurgisch” gevoerde oorlogen als prima.

Vandaar ook, dat wij maar al te graag akkoord zijn gegaan met de vervalste concepten van onze politici en onze militaire deskundigen. Een van die stellingen is dat het militair gezien onmogelijk is de agressieve houding van de Serviërs en de Kroaten te stoppen. Kennelijk is de NAVO alleen maar een club padvinders en stelt het CVSE, de Europese Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, evenmin iets voor als de Westeuropese Unie.

Democratieën zijn per definitie gemakzuchtig. Zij moeten gehoorzamen aan de kiezers, die er niet van houden hun zoons naar de slagvelden te sturen of onnodige risico's te nemen. Gehoorzamend aan die politieke wetmatigheid, hopen de huidige Westerse leiders - door hun vingers niet aan Bosnië te branden - hun populariteit niet te verliezen.

Natuurlijk beseffen ook zij dat hun Bosnië-politiek desastreuze gevolgen heeft. Omdat de korte termijn voor hen belangrijker is dan de lange termijn, is het misschien op dit moment zinvol hen te herinneren aan de uitspraak van Winston Churchill in 1938, nadat Chamberlain naar München was gegaan en een triomfantelijk onthaal in Londen had gekregen. Hij zei: “Poor Neville. He will come badly out of history. I know it, because I shall write the history.”

Politici mogen er niet alleen bij staan kijken. Soms echter besluit de politiek haar taak niet te vervullen, precies zoals de meester op het schoolplein even de andere kant uitkijkt, als tijdens de pauze een groep leerlingen een jongetje maltraiteert.

Ik denk dat dat nu gebeurt en dat het ons aller taak is ons daartegen te verzetten. Misschien helpt het, misschien ook niet. Ik weet het niet. Maar zei niet Willem van Oranje al: “Het is absoluut niet nodig te hopen om te ondernemen, noch te slagen om door te zetten.”

Ik heb in mijn leven veel geluk gehad. Dat kwam omdat er destijds mensen waren die weigerden naar het gebeuren te kijken en erbij te staan. Zij namen hun eigen verantwoordelijkheid. Zij pasten het principe toe dat de journalist en verzetsstrijder Van Randwijk zo prachtig heeft verwoord:

“Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen. Dan dooft het licht.”

Ik denk dat ik hun nagedachtenis en die van zoveel anderen het beste eer door het geld, dat aan de Dick Scherpenzeel-prijs is verbonden, te bestemmen voor wapenaankopen ten behoeve van de Bosnische moslims, opdat een volk dat zich nauwelijks kan verweren tegen een verpletterende overmacht, tenminste nog een kans krijgt. Ik verzoek u dan ook, minister Pronk, op de cheque, die ik u bij deze geef, uitdrukkelijk te vermelden dat de ontvangers daarvoor wapens kunnen kopen, als zij zulks nodig vinden. Als uw ministerie het geld nu meteen overmaakt, gaat het wat sneller dan wanneer ik het zou doen. En als u het doet, kan er een politieke signaalfunctie van uitgaan, die misschien door anderen opgevangen zal worden.

Ik besef dat mijn verzoek gemakkelijk kan overkomen als een pathetisch of een melodramatisch gebaar. Toch doe ik dat verzoek, in de hoop dat anderen misschien ook iets zullen doen, zodat de Bosnische moslims, die verwikkeld zijn in een van de grootste en meest barbaarse niet-uitgelokte klopjachten in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog, zich beter kunnen verdedigen dan tot dusver het geval was.

Ik denk dat we niet passief kunnen blijven bij datgene wat er in onze contreien opnieuw aan afschuwelijks gebeurt. En ik roep in herinnering datgene wat een beroemde rabbijn tweeduizend jaar geleden heeft uitgesproken. Zijn naam was Hillel en hij zei:

“Als ik niet voor mijzelf zorg, wie zorgt er dan voor mij?

Maar zorg ik alleen voor mijzelf, wat ben ik dan eigenlijk nog?

En indien nu niet, wanneer dan wel?''

Ik denk dat zijn woorden op de huidige situatie van toepassing zijn.

    • Michael Stein
    • Redacteur NRC Handelsblad