Gewaden

In een draai van de dijk staat nog steeds een grote witte boerderij, de boerderij van de Van Arendonken. Of je nu van boven of beneden komt, de dijk heeft in deze draai het aanzien van een hinderlaag.

“En dáár”, zei mijn vader, “kwam ik de eerste echte zwarte lijkkoets tegen. Want dat was eerst helemaal de gewoonte niet. Rijk of arm, jong of oud - er werd een boerenwagen schoongeschrobd, er werden Belsen voorgespannen en zo werd je naar het kerkhof gebracht. Maar toen die zwarte koets... die paarden in gewaden waarin alleen de ogen waren uitgespaard. Monsterachtig! Recht op me af! Ik schrok me een ongeluk.”

Er werd veel en jong gestorven op het dorp. Er was verdriet, er werd gehuild. In stilte vaak. Er werd geen ophef van gemaakt. De mensen waren verdoofd door hun armoede, de zorgen om het dagelijks brood, het sloven voor een beetje geld. En zeg nou zelf, die drukte om de dood, wat zou het allemaal?

“Maar vergis je niet”, zei mijn vader. “Ik heb als kind niet één dode gezien. Ik moest er niets van hebben. Mijn grootvader was overleden en mijn moeder zei dat ik moest gaan kijken, maar Tante vond dat nergens voor nodig.” Ja, mij hoeft hij niet uit te leggen dat hij niet door zijn eigen ouders is opgevoed.

“Tante vond dat een kind zorgeloos moest kunnen leven en dat heb ik gedaan. Mijn eerste lijk zag ik op Java pas.”

    • Koos van Zomeren