Gebrek aan aandacht voor groeisectoren schaadt uitvoer; CPB ziet ongunstige ontwikkeling van Nederlandse concurrentiepositie

DEN HAAG, 23 JUNI. De groei van de Nederlandse export zal achterblijven bij die van de wereldhandel als hij zich niet méér richt op groeisectoren. De groeivooruitzichten voor de exportgebieden waarop Nederland zich van oudsher profileert, vooral landbouw en voedingsmiddelen, zijn zonder meer zwak. De industrie zou zich meer moeten richten op hoogwaardige produkten. Dit zijn enkele conclusies uit een onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) naar de Nederlandse uitvoerprestaties sinds 1980.

Het CPB signaleert ook veel positieve kanten aan de Nederlandse export. Zo wisten Nederlandse exporteurs tot het begin van de jaren negentig door de relatief lage loonkosten (als gevolg van loonmatiging) een zodanige winst te behalen dat de uitvoer tussen 1980 en 1990 sneller groeide dan het gemiddelde in de EG. Dit duidt volgens het CPB op een sterk verbeterde concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van de andere EG-landen.

De bevindingen van het CPB sluiten aan bij het deze week gepubliceerde concurrentierapport van het World Economic Forum in Genève en het International Institute for Management Development in Lausanne, waarin de concurrentiepositie van alle landen ter wereld is geanalyseerd. Ook daaruit blijkt dat de positie van Nederland (plaats 6) ten opzichte van de andere EG-lidstaten sterk is (alleen Denemarken en Duitsland staan hoger op de ranglijst), maar dat er wel enkele ongunstige ontwikkelingen gaande zijn, onder meer op het gebied van technologie en wetenschap en de internationalisering.

Ook het CPB maakt zich zorgen over het feit dat bedrijven sinds het eind van de jaren tachtig minder geld uitgeven aan onderzoek en ontwikkeling. Deze daling is in Nederland veel sterker dan in andere landen, aldus het CPB. Werd in 1988 nog 6,1 miljard gulden uitgetrokken voor onderzoek, in 1991 was dat 5,9 miljard. Vooral de positie van Nederland als producent van elektronica en informatica is in de afgelopen tien jaar verslechterd. Een zorgwekkende ontwikkeling, vindt B. Minne, een van de auteurs van het CPB-rapport, zeker omdat Nederland moet omschakelen naar hoogwaardiger produkten. Het dalend uitgavenpatroon voor onderzoek en ontwikkeling is vooral te wijten aan reorganisaties bij Philips.

Minne nuanceert het beeld dat minder geld voor industrieel onderzoek en ontwikkeling directe gevolgen heeft voor de exportprestaties. “In Denemarken wordt nog minder geld besteed aan onderzoek en toch is de concurrentiepositie van de Denen sterk. Het effect op de export is pas op langere termijn meetbaar, want die hangt samen met heel veel factoren. De uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling vertonen een scheef beeld: 85 procent van het geld is afkomstig van slechts veertig bedrijven.”

Dat de Nederlandse uitvoer in de periode 1981-1990 toch sneller kon groeien dan in de rest van de EG, is vooral toe te schrijven aan de matiging van loonkosten. In feite lijden de Nederlandse exportprestaties onder het feit dat het land veel goederen uitvoert waar de groei "uit' is.

Volgens A. Kusters, mede-auteur van het CPB-rapport, bevat het Nederlands exportpakket veel grondstoffen en halffabrikaten (zoals basischemicaliën en ruw staal). “Deze segmenten groeien niet zo snel. Met de huidige stijging van de loonkosten betekent dat al snel achteruitgang van de concurrentiepositie.” De geringe groei van deze produkten verklaart Kusters uit het feit dat “de maatschappij dematerialiseert: door energie- en milieuheffingen bijvoorbeeld gebruikt de industrie steeds minder chemicaliën, brandstof etcetera per eindprodukt.”

Een echte snelle "groeier' (4 à 5 procent per jaar) daarentegen is de hoogwaardige agro-industrie (zoals sierteelt). Een gunstige ontwikkeling, menen Minne en Kusters, aangezien Nederland daardoor minder last zal hebben van de hervorming van het EG-landbouwbeleid.

Meer zorgen baren de industrieprodukten. Terwijl de groei van de Nederlandse export vooral zou moeten komen van hoogwaardige produkten als vliegtuigen, auto's en elektronica, maken juist deze sectoren op vaderlandse bodem moeilijke tijden door. De industrieprodukten hebben sowieso een relatief klein aandeel in de Nederlandse export, volgens het CPB.

Dat Nederland desondanks een grotere exportgroei van industrieprodukten heeft behaald dan de concurrenten in de EG is te danken aan het feit dat de zogenoemde wederuitvoer een enorme vlucht heeft genomen in Nederland. Bij wederuitvoer gaat het om ingevoerde goederen waaraan in Nederland enige waarde - in de vorm van bijvoorbeeld distributie, handel, vervoer, verzekeringen - wordt toegevoegd en die vervolgens weer worden uitgevoerd.

De groei van de wederuitvoer is volgens het CPB maar liefst tweemaal zo groot als die van de totale uitvoer. Sterker nog: zonder wederuitvoer zou de groei van de Nederlandse export inmiddels achterlopen bij de groei van de wereldhandel. Spectaculair is bijvoorbeeld de ontwikkeling van Nederland als Europees distributiecentrum van kleding. Voor bijna een derde van alle textiel, kleding en schoenen die Nederland uitvoert geldt dat het gaat om wederuitvoer. En de wederuitvoer van elektrotechnische produkten vormt inmiddels ruim de helft van de Nederlandse export van deze produkten, aldus het CPB.

De auteurs constateren in hun rapport ook dat Nederland de afgelopen tien jaar vooral marktaandeel heeft verloren dichtbij huis, terwijl dat "verder weg' juist is gestegen. Binnen de EG werd het grootste verlies geleden in Duitsland. “Het Nederlandse exportpakket is in dit geval ongelukkig”, aldus Kusters. “De Duitsers hadden na de eenwording behoefte aan auto's en elektronica en die hadden we niet.” Een andere mogelijke oorzaak van het feit dat het Nederlandse aandeel in de totale invoer van Duitsland daalde (van 9,6 procent in 1980 naar 8,6 procent in 1991) is dat Nederland relatief ver gelegen is van de groeipolen in Zuid-Duitsland. Over eventueel herstel van het Nederlandse marktaandeel in Duitsland durven beide onderzoekers geen voorspellingen te doen.

De sterkere groei van Nederlandse export naar verder afgelegen markten als Spanje kan deels worden verklaard uit de Europese integratie, dalende transportkosten (produkten worden lichter, communicatie beter en goedkoper) en de zogenoemde smaakconvergentie: "smaken' groeien naar elkaar toe waardoor het makkelijker wordt een produkt op een ver afgelegen markt af te zetten.

De les uit het CPB-onderzoek is, volgens Minne en Kusters, dat Nederland zich met zijn beperkte hoeveelheid snelle-groeisegmenten, meer dan andere landen, moet heroriënteren op de exportmarkt om de boot niet te missen. En daarvoor zou de overheid de voorwaarden moeten scheppen, door verbetering van het technisch onderwijs, flexibilisering van de arbeid en meer investeringen in de fysieke en kennisinfrastructuur.

    • Friederike de Raat