Verbod Tadzjiekse oppositie

MOSKOU, 22 JUNI. In de Centraal-Aziatische republiek Tadzjikistan, die door een burgeroorlog wordt geteisterd, zijn de vier belangrijkste oppositiegroepen officieel verboden. Het Hooggerechtshof van Tadzjikistan heeft gisteren de Democratische Partij, de volksbeweging Rastochez, de Partij voor de Herleving van de Islam en de paramilitaire beweging Lali Badachsjon buiten de wet geplaatst.

Het Hooggerechtshof heeft het verbod gebaseerd op artikel 21 van de wet op de maatschappelijke organisaties. Conform deze wet hebben groeperingen die “een verandering van het constitutionele bestel” nastreven in Tadzjikistan geen bestaansrecht. Volgens het Hof hebben de vier organisaties zich daaraan schuldig gemaakt door hun propaganda voor een islamtische staat, hun anti-Russische houding en hun gewapende acties bij de openlijke burgeroorlog die Tadzjikistan ruim een half jaar geleden naar de rand van de afgrond voerde.

De vier oppositiegroepen hebben die strijd toen verloren. Na een periode van politieke chaos wist de clan van Chodzjande (voorheen Leninabad), die Tadzjikistan decennia lang onder protectie van Moskou met harde hand heeft bestuurd, de macht in de republiek te heroveren. Sindsdien is het met name in het zuiden van het land echter onrustig gebleven. Gesteund door geestverwanten uit Afghanistan is de democratisch-islamitische oppositie in staat gebleven een guerrilla te ontketenen. Daarbij zijn inmiddels duizenden slachtoffers gevallen. Meer dan 300.000 burgers zijn door deze oorlog het land bovendien ontvlucht, deels in de richting van Oezbekistan en ten dele naar Rusland.