Vakantie

In mijn kindertijd zat mijn vader in zijn zomervakantie bij het opengeschoven raam. Zonder boord. (Van gummie die je met wasbenzine kon schoonmaken.) De mouwen van zijn overhemd opgekruld, het bovenste knoopje los. Hij dronk bier dat hij uit de keuken haalde waar het in een teiltje onder de tevreden lopende kraan stond om koel te blijven.

Hij was laat opgestaan. Het is tenslotte vakantie. Hij las de krant van de vorige dag nog eens grondig door. Hij luisterde in gespannen stilte naar de radionieuwsdienst met een aandacht waarin je geen speld mocht laten vallen, alsof er elk ogenblik melding gemaakt kon worden van het uitbreken van een wereldoorlog. Daarna mochten we ons weer bewegen en zachtjes praten want dan luisterde hij naar de berichten over land- en tuinbouw terwijl hij amper een suikerbiet van een koolraap kon onderscheiden. Maar goed, zo was vader nu eenmaal.

Een keer met z'n allen de natuur in?

Een keer een roeiboot huren?

Een vlieger oplaten of over een sloot springen?

Dat was er niet bij. Hij durfde niet te fietsen, liep achterstevoren de trap af en verachtte de bioscoop. Het meest hield hij van zijn kinderen “als ze sliepen of bij de buren waren”. (Zo erg was het nu ook weer niet maar daar kwam het wel zo'n beetje op neer.)

Als hij optimaal gehumeurd was ging hij schilderen. Geen stoel, deur of tafel, nee, een paradijsvogel, een kerk in de verte, een bosviooltje, een schaaltje aardbeien. “Kom”, zei hij dan met een glimlach van welbehagen, “kom, ik gaan maar eens wat schilderen.” Wij waren blij dat hij het naar zijn zin had en hij de zorgen vergat om het dagelijks bestaan die hem voor de vakantie hadden gekweld en die weldra als de vakantie er op zat in alle hevigheid weer over hem zouden losbarsten. Arme vader.

Hij bracht alles zorgvuldig in gereedheid om aan de slag te gaan. Dat was voor ons steeds opnieuw een verrassing. Het had iets geheimzinnigs. Iets alchemistisch. Ergens achterin een schrijftafella lagen zijn schildersspulletjes. Zijn kwasten. Zijn aquarelpapier. Zijn waterverf. Zijn potloden. Bij ons thuis was alles altijd van iedereen zodat er nooit iemand wat had, want als er wat was, was het meteen stuk of dadelijk op. Voor vaders schildersattributen hadden we allemaal ontzag. Daar kwam niemand aan. Verdraaid, waar haalde hij die prachtige tros donkerblauwe druiven vandaan? Waar die drie overheerlijke, sappige klapsperen? Hoe had hij een stuk of vijf bananen het huis in kunnen smokkelen zonder gezien te worden? Alles werd gegarneerd op een namaak Delfts blauw bord. Een fluwelen doek werd er kunstzinnig achter gedrapeerd. Er kwam een kandelaar bij te staan met een stompje kaars, een lege wijnfles en een omgevallen glas. Tsjonge, jonge, hij was wel wat van plan. Ademloos keken we toe hoe vader zijn werkstuk "opzette'. Op een beetje een aanstellerige manier stak hij een potlood in de lucht en tuurde er met zijn schildersoog langs. Wij waren ons bewust van de ernst waarmee hij aan het werk was, maar, het water liep ons eerlijk gezegd in die hongerjaren, zo vlak na de oorlog, toch behoorlijk in de mond. Druiven? Een oude tante moest behoorlijk ziek zijn wilde ze een trosje krijgen. Bananen? Die lagen nog maar pas in de winkel. Je rook de peren. Vader schilderde onverdroten voort.

“Je zou eens met die jongens een roeiboot moeten huren, eens een keer met ze de deur uit moeten, met dit mooie weer. Iedereen is buiten en wij zitten binnen, ga toch eens met ze naar de Braak of naar het Paterswoldse Meer”, zegt moeder.

Vader reageert niet. Hij schildert. Wij zitten achter hem. Daar komen de druiven stuk voor stuk op zijn papier. Daar achter de bananen.

Die kandelaar staat een beetje scheef maar die schildert hij wel weer recht. Hoe krijgt hij toch zo'n gouden glans op die peren? Moeder zucht en vader schildert. Wij hoeven helemaal niet naar het meer. Wij zitten lekker binnen. Welke vader kan zo mooi schilderen? Straks als hij klaar is houden we nog meer van hem omdat we dan immers zijn hele stilleven mogen opeten.

    • Jean-Paul Franssens