Techniek kan de mens in het recht nooit vervangen

De "Molen bij Wijk bij Duurstede' van Jacob van Ruysdael is één van die populaire schilderijen, die men in vele Nederlandse huiskamers kan aantreffen aan de muur, op bonbondozen, of op een kussen geborduurd.

Aan een borduurster, die na maandenlange arbeid haar werkstuk had voltooid, vroeg ik wat haar in dat schilderij boeide. Zij antwoordde, dat zij het met zijn wolkenlucht, rivier en molen een liefelijk, typisch Hollands schilderij vond. Als men het schilderij nader bekijkt blijkt het in het geheel niet liefelijk te zijn. Op de omgang van de molen ziet men een verontruste vrouw, kennelijk bezorgd of haar man of zoon, die zich aan boord van het schip bevindt, nog tijdig kan afmeren, voordat het onweer zal losbarsten. Een schilderij dus, dat liefelijkheid en dreiging tegelijk uitstraalt. Misschien was dat wel het oogmerk van de schilder en is het daarom zo boeiend.

Aan dat schilderij moet ik denken, als ik af en toe in de pers een foto van Bert Verhoeff zie. Waarop men René (Ra Ra) R. ziet, achterover leunend op zijn stoel, met zijn benen steunend op het verdachten-hekje, terwijl de rechtbank het vonnis over hem uitspreekt. Als die foto wordt geplaatst, gebeurt dat - zo lijkt het mij - als een symptoom van het tanende gezag van de rechter en de afnemende eerbied voor de rechterlijke autoriteiten. Ik zal niet ontkennen, dat de foto dat uitdrukt, maar bij nadere beschouwing ziet men ook nog iets anders. Men ziet dan, dat de rechtbank onder leiding van mr. P.L. Michels haar vonnis uitspreekt, zonder op het gebaar van René R. acht te slaan. Het recht in zijn hoogheid en onaantastbaarheid gaat voort zonder uit zijn koers te geraken en zonder zijn doel uit het oog te verliezen. Ook dàt drukt de foto uit. En ik zou mij ernstig moeten vergissen als Bert Verhoeff met zijn prachtplaat niet de spanning tussen beide betekenissen van het tafereel zichtbaar heeft willen maken.

Zowel Jacob van Ruysdael als Bert Verhoeff laten zien, dat een getuige zich volledig te goeder trouw kan vergissen in de betekenis van hetgeen hij heeft waargenomen. Kijken is, of men wil of niet, interpreteren, met alle risico van foute waarnemingen. En dan heb ik het nu nog slechts over de integere, waarheidsgetrouwe getuige. Maar iedere advocaat en iedere rechter weet, dat er vele getuigen zijn, die er op allerlei gronden belang bij hebben of menen te hebben, hun getuigenis bij te kleuren in de richting van het standpunt dat zij gaarne zien zegevieren. En dat er getuigen zijn, die zich gewoon vergissen, of die twijfelen, omdat ze het na zo lange tijd niet meer zeker weten.

Daar komt dan ten slotte nog bij, dat verdachten meer dan vroeger geneigd zijn het hun ten laste gelegde te ontkennen, zodat de officier van justitie en de rechter vaker dan voorheen voor de bewijslevering afhankelijk zijn van de verklaringen van getuigen.

Het is dan ook begrijpelijk, dat de praktijk op zoek is gegaan naar meer zekerheid. En die zekerheid heet: technisch bewijs. We kijken niet meer of een dronken chauffeur waggelend loopt, bloeddoorlopen ogen heeft en riekt naar het inwendige gebruik van alcoholhoudende drank. De natuurkunde brengt via een blaaspijpje de zekerheid van zijn misdrijf. Bij de vraag naar het vaderschap is een bloedonderzoek beslissend geworden. En het bederf van een bami-bal beoordelen wij niet meer aan de smaak, kleur of geur, maar aan het aantal daarin aangetroffen bacteriën. En zo vlucht de juristerij steeds meer in de richting van de natuurkunde. Maar is die weg nu zonder risico's?

Op 1 april 1993 werd te Zutphen een studiedag gehouden over de waarde en kwaliteit van technisch bewijs. Wegens overgrote belangstelling is die studiedag op 15 juni jongstleden herhaald. Belangrijke studiedagen, ongetwijfeld. Maar is die weg naar de techniek, naar de natuurkunde vooral, nu de oplossing voor het gesignaleerde probleem. Is de werkelijkheid die de natuurkunde voor ons opent een objectieve? Bestaat die onafhankelijk van degeen die haar waarneemt? Of is zij alleen maar een aanblik, een aspect van een totale werkelijkheid, die zich door de mens niet laat vatten?

Het is onder andere die vraag, die professor A. van den Beukel, hoogleraar natuurkunde aan de TU te Delft, zich stelt in zijn boek "De Dingen Hebben Hun Geheim' (Ten Have/Baarn 1990). De vraag of er een objectieve werkelijkheid is, is, aldus Van den Beukel, het meest nadrukkelijk met "ja' beantwoord door Albert Einstein. Van den Beukel beschrijft hoe de "kwantum-revolutie' de gedachten van Einstein heeft weerlegd. Begrijp ik de "kwantumfysica' goed (die kans moet de lezer overigens niet al te hoog inschatten) dan is het kernpunt dat een waarnemer om een natuurkundige waarneming te doen, op datgene wat hij onderzoekt moet ingrijpen. Maar zelfs de geringste ingreep (het richten van één lichtkwantum op het onderzochte) heeft een invloed op het waargenomene, die niet steeds voorspelbaar is.

Met die vaststelling is het idee van een door de techniek te constateren "objectieve werkelijkheid' van de baan. Er is, om met Van de Beukel te spreken, "geen verifiëerbare werkelijkheid buiten ons, die onafhankelijk is van onze waarneming'. De waarnemer en het waargenomene zijn één en onscheidbaar. Of, zoals de grote Deens natuurkundige Niels Bohr het uitdrukte: "We zijn niet louter toeschouwers, we zijn acteurs in dit grote drama van de natuur'.

En daarmee zijn wij terug bij de getuige. De juristerij heeft ons op weg gestuurd van de getuige naar de techniek, maar de techniek maant ons tot voorzichtigheid en wijst ons de weg terug.

Ik ben helaas niet bij de Zutphense studiedagen aanwezig geweest, en weet dus ook niet tot welke uitkomsten men daar is gekomen, maar één ding lijkt mij hoe dan ook zeker. De techniek zal de mens in het recht nooit mogen vervangen. Zij zal altijd hulpmiddel moeten blijven, waarmee wij met prudentie behoren om te gaan.

    • B.W. Asscher