PvdA wil vooral op papier nivellering van de inkomens

DEN HAAG, 22 JUNI. De inzet is hoog. De inkomensverdeling, ooit een “steunpilaar van sociaal-democratische politiek”, moet terug op de politieke agenda. Voor de PvdA is de leidraad van het politieke handelen “de fundamentele gelijkwaardigheid - niet gelijkheid - van mensen”. Aldus een discussienota van drie PvdA-ers - Jan van Zijl, Tweede Kamerlid, zijn medewerker Horst Jonk, en Paul de Beer van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA.

Maar dan. Willen de PvdA-ers de koppeling tussen uitkeringen en lonen herstellen? Een beetje. “De koppelingswet moet gewoon toegepast worden”, zo heet het. Niet omdat de koppeling een teken van beschaving is, zoals W. Drees jr. enkele jaren terug in Socialisme & Democratie schreef. Nee, de koppeling is “de meest eenvoudige en goedkoopste mogelijkheid om in het inkomensgebouw een vloer te leggen. Niet meer en niet minder.”

Met “de koppelingswet” wordt echter gedoeld op de Wet Koppeling met Afwijkingsgronden (WKA) die op 1 januari 1992 in werking trad. Volgens die wet moet in principe worden gekoppeld, maar kan van dat principe worden afgeweken als er per honderd actieven meer dan 86 inactieven zijn. Met als gevolg dat zowel in 1992 als in 1993 van koppeling geen sprake is. Dit jaar worden de bruto-uitkeringen zelfs bevroren. Een oppervlakkige blik op de economie leert dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat er in de komende jaren wèl wordt gekoppeld.

Dat is trouwens ook in de jaren tachtig niet of nauwelijks gebeurd. Dit ondanks het feit dat toen een veel 'strengere' koppelingswet gold, de Wet aanpassingsmechanismen (WAM) uit 1980. Die koppelde de netto minimumuitkeringen aan het netto minimumloon, zonder voorwaarden. In de praktijk werd de WAM echter slechts twee keer onverkort toegepast: op 1 januari 1980 en op 1 januari 1990. Die laatste koppeling was een direct gevolg van het aantreden van het kabinet-Lubbers/Kok.

De drie PvdA-ers willen dus, net als de Wet Koppelijk met Afwijkingsgronden, in principe koppelen maar in de praktijk niet. Maar ze houden toch een slag om de arm. Want ze tekenen bezwaar aan tegen de wijze waarop het verhoudingsgetal actieven/inactieven wordt berekend. Het aantal part-time werkenden en het aandeel van de vijftig-procent-uitkeringen (WAO-ers) zou leiden tot een te hoog verhoudingsgetal, en dus te snel tot ontkoppeling. De drie pleiten daarom voor een aanpassing van de wet. Of zo'n aanpassing op korte termijn zou leiden tot herstel van de koppeling moet echter ernstig worden betwijfeld.

De discussienota meldt dat uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt “dat er in ons land nog altijd een klimaat heerst waarin sociaal-democratische opvattingen over inkomenspolitiek goed gedijen.” Zo is volgens het SCP liefst 55 procent van de Nederlandse bevolking voorstander van een verdere nivellering.

Een blik op de koopkrachtmutaties van 1985 tot en met 1992, zoals berekend door het Centraal Planbureau, leert dat de inkomensverschillen in die periode aanzienlijk zijn toegenomen. Terwijl de koopkracht van mensen met een minimumloon of mensen zonder kinderen met een uitkering in deze acht jaar met circa twee procent toenam, groeide de koopkracht van de werknemer met twee keer het modaal inkomen met circa tien procent.

Ook tijdens de laatste drie jaar van deze periode, toen het kabinet Lubbers/Kok regeerde, groeide de koopkracht van twee-keer-modaal sneller dan van het minimumloon en van de uitkeringen. Opmerkelijk daarbij is dat dit verschil vooral optrad in 1990, het jaar dat er wèl werd gekoppeld. In 1992 werd weliswaar ontkoppeld, maar werden de koopkrachtverschillen gedempt door fiscale reparaties.

Anders dan minister De Vries willen de drie PvdA-ers het verschil tussen lonen en uitkeringen niet vergroten, omdat de prikkel om te gaan werken voor de overgrote meerderheid nu al groot genoeg is. Maar voor een ouderwetse nivellering, via hogere belastingpercentages voor de rijken, schrikt het drietal toch ook terug. Men komt nu niet verder dan een beperking van het aantal aftrekposten in de loon- en inkomenstenbelasting.