Poëtische basketballers Poets & Writers ...

Poëtische basketballers Poets & Writers Magazine, juli/augustus 1993. 72 blz.$3.95. 72 Spring Street, New York, NY 10012. Fax 09-12122263963

Vertellen voor de nadenkers Raster 61, Vertellen. De Bezige Bij, 160 blz.ƒ25

Vetbol in de badkamer Hollands Maandblad 1993-6/7. Veen, 63 blz., ƒ12,50.

Poëtische basketballers

Opgezet voor schrijvers maar ook interessant voor lezers: het Amerikaanse Poets & Writers Magazine. Het tweemaandelijkse blad komt van een organisatie die zich sinds 1970 uitsluitend bezighoudt met het helpen en adviseren van auteurs in nuttige publikaties (On Cloud Nine: Writers' Colonies, Retreats, Ranches, Residensies, and Sanctuaries), met bemiddeling bij optredens, en met een inlichtingennummer.

Het juli-augustusnummer van het Poets & Writers Magazine bevat vier aardige interviews, toevallig met hier volmaakt onbekende auteurs, een uitgebreid overzicht van de vele toegekende prijzen en beurzen, plus sluitingsdata van nog lopende literaire competities, en intrigerende advertenties - voor diverse bloemlezingen worden verhalen en gedichten gevraagd van basketballers, jonge dagboekschrijfsters, vrouwen met alcoholistische moeders, soldaten die vochten in Afghanistan, Somalië of Los Angeles, verweesde volwassenen, en mensen met eetproblemen of incestervaringen. Botte opmerkingen van redacteur William Packard van de New York Quarterly over ongevraagde manuscripten en het bewerken van kopij joegen veel abonnees van het Poets & Writers Magazine in de pen - ziedende schrijvers en tevreden tijdschriftredakteurs.

Poets & Writers Magazine, juli/augustus 1993. 72 blz.$3.95. 72 Spring Street, New York, NY 10012. Fax 09-12122263963

Vertellen voor de nadenkers

Na het nummer van Raster over de beschrijving hebben we er nu een over vertellen, beide “voortgekomen uit de wens enig zicht te krijgen op het even hardnekkige als ongrijpbare fenomeen dat realisme heet, het eeuwige spook van de opera van de kunst - jaag het weg en in galop keert het terug”. In zijn inleiding benadrukt Jacq Vogelaar dat Raster niet opeens streeft naar een terugkeer naar het traditionele vertellen, maar wel gentereseerd is in het vinden van aansluiting bij de orale vertelkunst, zoals dat tegenwoordig vooral opvalt bij door Westerse literatuur benvloede niet-Westerse schrijvers. De Raster-redakteur wil het vaak gemaakte onderscheid tussen Vertellers en Schrijvers niet aanvaarden, zeker niet (ondanks?) de frappante bijbehorende toevoegsels als respectievelijk "geboren, natuurlijk', en "gekunsteld, academisch'. Over het realisme bij de hedendaagse verteller-schrijver: “Het nieuwe vertellen is eerder een zoeken dan recapituleren en variëren van bekende waarheden”.

Zes van de auteurs die Vogelaar noemt als aansluiting bij het "orale' staan met proza in dit nummer, vòrmen het: Gianni Celati, Torgny Lindgren, Per Olov Sundman, John Berger, Hassouna Mosbahi en Joao Guimaraes Rosa. Artikelen van Anthony Mertens, Geert Mak ("Het eeuwig slepen met de loden bal. Over verhalen en journalistiek') en Rector Magnificus Pieter de Meijer van de UvA vullen het vertellend proza aan.

Het gebruikmaken van oude verteltradities in modern proza noemt Raster "vertellen in de tweede graad'. Ongelikte rechttoe-rechtaan verhalen staan hier vanzelfsprekend niet in. Van de Zweed Lindgren is er een lange, mooie lezingtekst over het schrijven waarin hij een verhaal verweven heeft. Een van Lindgrens stellingen is dat vorm, genre en traditie vastliggen in de persoonlijkheid van een schrijver, en dus niet gekózen kunnen worden - “De een is van nature realist, de ander romanticus. (-) Het literaire programma is alleen maar een noodzaak die wordt omgevormd tot een deugd.”

J. Bernlef omkaderde een fraai sobere vertelling van de Zweed Sundman met een verhaal over een verhalenverteller in zijn stamcafé; Matsier vertaalde een beschouwing van John Berger over realisme en vertellen; August Willemsen de merkwaardige "roman' Diepe wildernis: de wegen van de Braziliaan Guimaraes Rosa die binnenkort bij Meulenhoff verschijnt en dan op de nodige aandacht mag rekenen.

Op verschillende plaatsen in dit vertel-nummer valt de naam van het Engelse tijdschrift Granta en zijn maker Bill Buford. In gunstige zin - bij Geert Mak, die de gevoelige relatie tussen journalistiek en literatuur onderzoekt, en in heel ongunstige zin bij Vogelaar, die Buford kennelijk een grove simplist vindt. Gemakshalve ziet Vogelaar hier over het hoofd dat Granta weliswaar een grote voorkeur heeft voor het niet-academische Vertellen, maar dat Buford daarbij toch graag een zekere verfijning of geconstrueerdheid van de vorm ziet. Een boeiend verhaal over een tragedie die zich ergens ter wereld afspeelt is er welkomer dan minutieuze overwegingen van een "writers' writer' over het schrijven, maar Granta kwam al zes jaar geleden met het nummer "The Story-Teller', waarin (ook door onder anderen John Berger) aansluiting werd gezocht bij het traditionele, orale vertellen. Het theoretiseren werd aan de lezers overgelaten, terwijl Vogelaar in zijn inleiding 42 namen van auteurs en literatuurwetenschappers gebruikt. Waar Granta je vooral aan het lezen zet, dwingt Raster met een vergelijkbaar themanummer eerder tot nadenken.

Raster 61, Vertellen. De Bezige Bij, 160 blz.ƒ25

Vetbol in de badkamer

Is het beter onrecht te doen dan onrecht te lijden? Is het beter om te beminnen dan om bemind te worden? Is het beter te schelden dan uitgescholden te worden? Nee, nee, weet niet, zegt J.P. Guépin in Hollands Maandblad, zich respectievelijk beroepend op Jezus, twee Italiaanse prostituées, en Aristoteles en Freud. Uitgescholden worden is volgens Guépin alleen een genot als het artistiek gebeurt, uit een "creatieve opwinding' van de kunstenaar. Met modern denken over schelden - "je moet je woede niet opkroppen' - lijkt Guépin niet veel op te hebben.

Gerard van Emmerik, wiens eerste verhalenbundel in het najaar zal verschijnen, publiceert hier een verhaal over een vetbol van een vrouw die als buddy een lijder aan de slimming disease (aids) verzorgt. Na zijn dood moet ze terug naar huis, naar de badkamer: “de vierwandige spiegel van lange vellen dik aluminiumfolie waarmee ik de wanden op aanraden van een diëtiste heb beplakt”. Ze wordt ervan gered door een vriend van de begravene, die ook een buddy nodig heeft.

De filosofen Menno Lievers en Jaap van Heerden debatteren in dit nummer over de vraag of het leven zin heeft. De eerste las Wees blij dat het leven geen zin heeft van de tweede: “waar Nietzsche gek werd is Van Heerden blij”, en is het niet met hem eens. “Het leven heeft betekenis, alleen iemand die een onmenselijk, archimedisch standpunt inneemt, kan dat ontkennen.” Lievers poneert dat er wel degelijk een gemeenschappelijk gevoeld onderscheid tussen goed en kwaad bestaat, ook als het bestaan van God ontkend wordt. Een boven-individuele moraal wordt volgens hem doorgegeven van generatie op generatie, en is per cultuur dus verschillend. Net als je moedertaal, die je deelt met anderen maar op eigen wijze gebruikt. Jaap van Heerden blijft bij het hoogstpersoonlijke en wenst aan geen enkele ketting gelegd te worden. “Ik hanteer geen beginsel waaruit volgt dat iets slecht is. Ik beperk mij tot wat ik als slecht ervaar. Is dat niet genoeg? Ik hanteer mijn ervaring als moreel beginsel en kan ermee uit de voeten zonder er behoefte aan te hebben het te verabsoluteren.” Een eventuele consensus noemt Van Heerden "aantrekkelijk' maar wil die niet opgelegd krijgen - “Er is geen objectieve grondslag en daarmee gelukkig ook geen dictaat.”

Poëzie van Y. Né: “De melktandjes van het ochtendlicht knabbelen / aan de nog argeloze dingen op tafel. De afstand / tot mij is een dans die mij verleidt. Pas als ik ben / genaderd en de lamp ontsteek bijten de dingen terug.”

Hollands Maandblad 1993-6/7. Veen, 63 blz., ƒ12,50.