Pardoes

Hij was, zei mijn vader, toen een jaar of twaalf.

Volop zomer, augustus. Ze speelden met een groepje aan de Waal. Een paar andere jongens zaten aan de dijk bramen te plukken en je weet hoe waanzinnig warm het in die struiken kan worden.

En dan legt hij nog eens tot op de meter nauwkeurig uit waar het gebeurde, hoe ik me de situatie moet voorstellen, wat er, landschappelijk gesproken, sinds die jaren in de uiterwaard veranderd is.

Dus die jongens, helemaal verhit van het bramenplukken, kwamen aanrennen. Je hoort hun woest geschreeuw. Ze rukten zich de kleren van het lijf en sprongen pardoes van de krib in de rivier.

“Ik zie me daar nog staan”, zei mijn vader. “Die handjes, die nog drie keer uit het water staken. Ik kon heel goed zwemmen. Maar ik had totaal niet in de gaten wat er gaande was. Later pas. Later zeiden ze: Bertus is verdwenen. God nou, daar heb ik nachtmerries van gehad.”

Bertus Kornet (kenet, zeiden ze op het dorp) - een jongen uit een groot gezin, een leven dat werd afgelast.

Ik wachtte af. Ik zei: “Mensen met tbc. Een verdronken jongetje. Het lijkt wel een roman van Maxim Gorki. Krijgen we ook nog iemand die door het ijs is gezakt?”

“Maar die werd gered”, zei mijn vader prompt. Er werden ladders op het ijs gelegd en dat was een leven dat doorging.