Migrantenstroom uit Oost-Europa

East-West Migration, The Alternatives. Richard Layard, Olivier Blanchard, Rudiger Dornbusch, Paul Krugman. The MIT Press, Cambridge, Massachusetts (1992). ISBN 0-262-12168-9,94 blz., 47 gulden.

Vorig jaar trof de EG Oosteuropese landen enkele keren met pittige strafheffingen op hun te goedkoop geachte staalexporten naar de Westeuropese markt. Dit jaar kwamen er nieuwe heffingen op Oosteuropees staal en als het aan de Westeuropese chemieproducenten ligt, worden zij op soortgelijke wijze behoed voor de dreigingen uit het Oosten. De Westeuropese textiel, cement en landbouwbranches worden al stevig beschermd. Dezelfde Gemeenschap die hulpgeld en vrije marktinstructeurs naar Oost-Europa zendt, straft dus Oosteuropeanen die geld willen verdienen met handel in plaats van liefdadigheid.

Deze idiotie zou Westeuropese politici aan het nadenken moeten zetten over de reële opties waarmee zij na het wegvallen van de Oost-West tegenstellingen worden geconfronteerd. Mocht het zover komen, dan kunnen zij zeker hun voordeel doen met het nieuwe boek "East-West Migration', een co-produktie van de economen Rudiger Dornbusch, Paul Krugman, Olivier Blanchard (allen van het Massachusetts Institute of Technology), en Richard Layard (London School of Economics). In hun bondige studie zonder al te veel formules laten zij hun economische analyses los op een kwestie die in het kielzog van de geopolitieke veranderingen in Europa hoogst actueel is.

“In westelijk Berlijn liggen de lonen tien keer hoger dan in Poznan - minder dan 200 mijl verderop”, constateren de auteurs. “Dus een Poolse werknemer kan zijn inkomen vertienvoudigen door een stukje op te schuiven.” Daar komt bij dat de meeste overheden in het voormalige Oostblok hun onderdanen nu vrij laten gaan en komen. Zelfs als de pijnlijke transformatieprocessen in de Oosteuropese landen en GOS-staten goed uitpakken, zal de werkloosheid voorlopig hoog blijven. En als de hervormingen falen, zullen malaise en werkloosheid nog heviger zijn en langer duren. In beide gevallen zal er dus een sterke drang tot migratie zijn.

Aan precedenten geen gebrek. Sinds de dagen van Abraham en Mozes - en ruimschoots daarvoor - gingen mensen op pad om te zoeken naar een beter leven. De afgelopen eeuwen voltrok zich de grootste migratiegolf uit de menselijke geschiedenis - die van Europa naar Amerika waar nu bijna evenveel mensen wonen, de meesten van Europese afkomst. Tijdens de tweede wereldoorlog raakten tientallen miljoenen op drift. Tussen 1970 en 1990 troken zo'n 3 miljoen Mexicanen - 4 procent van de Mexicaanse bevolking - al of niet legaal naar de VS. En tussen 1950 en 1970 verhuisden 5 miljoen Zuideuropeanen - 3 procent van de Zuideuropese bevolking - naar het meer welvarende Noord-Europa.

De laatste migratiegolf vlakte snel af toen in het begin van de jaren zeventig de conjunctuur verzwakte, ook de Noordeuropese werkloosheidscijfers stegen en de regeringen daar minder werkvergunningen verleenden. Wat er volgens de auteurs op wijst dat migraties zeker niet alleen het gevolg zijn van inkomensverschillen maar van een heel scala van factoren, zoals werkgelegenheid, absorptiecapaciteit, maatschappelijke acceptatie, kosten van migratie enzovoort. Juist door het bestaan van deze "push' en "pull'-factoren bleken migratiegolven in belangrijke mate zelfregulerend. Naar de mening van de auteurs valt daaruit af te leiden dat migratie niet alleen voordelig is voor de migranten, maar ook voor de gastlanden. Verder blijkt dat migratiegolven geen explosies zijn maar veeleer lange termijnprocessen, gedicteerd door het veel verschuivende evenwicht tussen pro's en contra's zoals die door potentiële migranten wordt ervaren.

Afgaand op historische precedenten en opiniepeilingen schatten de auteurs dat de westwaartse migratie vanuit Oosteuropese landen en GOS-staten de komende vijftien jaar kan uitkomen op 3 procent van hun bevolkingen. Wat zou neerkomen op 4 miljoen Oosteuropeanen, 6 miljoen GOS-bewoners, plus nog eens ruim 3 miljoen in Oost-Europa verzeilde etnische Duitsers die het constitutionele recht hebben om naar hun Heimat terug te keren. En dat zou een jaarlijkse stroom van 1 miljoen migranten naar West-Europa opleveren, die deels doortrekken naar de de VS. Die accepteren met hun wat kleinere bevolking nu al 750.000 nieuwkomers per jaar. Zo'n bevolkingstoevloed vanuit het Oosten is in het licht van historische ervaringen met migratie zeker niet excessief maar voor hedendaagse EG-overheden waarschijnlijk veel te veel. Toch hebben EG-grenscontroles een beperkte waarde omdat toeristen er nu eenmaal welkom zijn.

Westerse kapitaalinvesteringen in het Oosten en een optimale acceptatie van Oosteuropese produkten in de EG kunnen de honkvastheid van Oosteuropeanen zeker vergroten. Maar juist op die punten valt de Westeuropese houding vaak op door kortzichtigheid en opportunisme.

De auteurs wijzen er overigens op dat de groei van de autochtone Westeuropese arbeidskracht door groeiende vergrijzing in snel tempo afneemt en na 1995 zelfs negatief wordt. In 2010 zal het aantal EG-werknemers afnemen met een half miljoen en in 2025 met 1,2 miljoen. Zullen EG-werkgevers tegen die tijd weer om migranten vechten?