Kapitaalvlucht naar zuiden van China wekt beroering in Indonesië; "Boosdoeners' zijn Indonesische tycoons van Chinese afkomst; Concerns zouden al 800 miljoen dollar hebben genvesteerd

JAKARTA, 22 JUNI. De Indonesische ambassadeur in Peking gooide onlangs de knuppel in het hoenderhok. Op 2 april kopte het islamitische dagblad Republika: "Indonesische investeerders in China melden zich niet bij hun ambassade'. Die dag opende ambassadeur Abdurrahman Gunadirdja de Indonesische stand op de Internationale Beurs van Peking en daar deed de diplomaat een boekje open. Grote Indonesische concerns zouden al zo'n 800 miljoen dollar hebben genvesteerd in Zuid-China, maar de ambassade moest dat uit de krant vernemen. “Ik betwijfel of deze investeringen in het belang zijn van Indonesië”, aldus Gunadirdja.

De ambassadeur noemde geen namen, maar de vaderlandse pers wist binnen enkele dagen te melden dat de "boosdoeners' niemand minder waren dan Indonesische tycoons van Chinese afkomst als Liem Sioe Liong en Mochtar Riady, die de grootste conglomeraten van het land bestieren. Dat zij hun projecten in Zuid-China hadden gefinancierd met Hongkong dollars en niet met rupiahs leek van ondergeschikt belang. Het "patriottisme' van de etnisch-Chinese ondernemers in Indonesië werd weer eens in twijfel getrokken. De indruk werd gewekt dat zij om nostalgische redenen investeerden in "het land van hun voorvaderen' en daarbij de belangen van Indonesië vergaten.

Temidden van deze emotionele geluiden klonk ook de stem van het gezonde verstand. Ondernemers en wetenschappers verlegden de discussie van nationalistisch drijfzand naar de vaste grond der economische wetmatigheid. Ondernemers, zo beklemtoonden zij, investeren daar waar het meeste geld valt te verdienen. Het hoge woord kwam eruit: het Indonesische bedrijfsleven kampt met stagnerende binnenlandse koopkracht, bureaucratische hindernissen en een hoge rentestand en zo bezien vormt de Volksrepubliek een aantrekkelijk alternatief.

Japan is China's grootste geldschieter, maar het overgrote deel van de rechtstreekse buitenlandse investeringen komt van de zogenaamde "overzeese'Chinezen. Hongkong en Taiwan nemen samen zo'n tweederde voor hun rekening. De Chinezen in de diaspora vormen een veel grotere economische macht dan hun aantal van 51 miljoen - Hongkong en Taiwan meegerekend - suggereert. The Economist schatte hun liquide activa vorig jaar op 2.000 miljard dollar wereldwijd. Nu de Volksrepubliek de loper uitrolt voor buitenlandse investeerders hebben de overzeese Chinezen een voorsprong; zij kunnen gebruik maken van oude, door familiebanden bijeengehouden handelsnetwerken, die zich al in de koloniale periode uitstrekten van Peking, via Hongkong en Singapore, tot Bangkok, Manila en Batavia.

Na Taiwan en Hongkong vormt de etnisch-Chinese gemeenschap in Indonesië de grootste groep overzeese Chinezen. Hun aantal bedraagt volgens officiële schattingen 5 miljoen, maar volgens het Overseas Chinese Economy Yearbook zijn het er liefst 7,2 miljoen (4 procent van de bevolking). In weerwil van het populaire stereotype van de rijke Chinees heeft slechts een kleine minderheid het tot tycoon geschopt. Het aantal grote ondernemers loopt in de honderden, zij hebben geen politieke macht, maar wel een sterke greep op de Indonesische economie. Volgens een recente studie zouden etnische Chinezen 17 van de 25 grootste zakelijke groepen van Indonesië controleren. De top-accountant Utomo Josodirdjo schatte hun aandeel in de Indonesische economie vorig jaar op 65 procent.

Sinds in China een economische boom op gang kwam en Indonesië in 1990 zijn diplomatieke betrekkingen met de Volksrepubliek herstelde, werpen de grootste conglomeraten een begerig oog op deze veelbelovende markt van meer dan een miljard consumenten. De Indonesische econoom Kwik Kian Gie verklaart deze belangstelling uit een combinatie van zakelijk instinct en een zekere band met het land van oorsprong. Kwik onderstreept de heterogeniteit van de etnisch-Chinese gemeenschap in Indonesië. Enerzijds zijn er de totok, Chinezen die ginds zijn geboren of pas tweede of derde generatie Indonesiër zijn en nog een sterke culturele band met China voelen. Daarnaast is er een grote groep van peranakan (letterlijk: afstammelingen), geassimileerde Chinezen, die de taal niet meer machtig zijn en zich in de eerste plaats Indonesiër voelen. Kwik, zelf een peranakan, wijst erop dat de twee Chinese tycoons die onlangs in het nieuws kwamen wegens hun investeringen in China beiden totok zijn.

Het spits werd afgebeten door Sudono Salim, beter bekend onder zijn verbasterde Chinese naam: Liem Sioe Liong. Liem werd in 1916 geboren in de Zuidchinese provincie Fujian. In 1938 emigreerde deze boerenzoon naar Java, waar hij aan de slag ging in de zaak van zijn oom, die handelde in pinda-olie. Dankzij wederzijds voordelige transacties met het Indonesische leger in de jaren vijftig, kon hij na de machtsovername van generaal Soeharto doorstoten naar de top van het Indonesische bedrijfsleven. Thans staat Liem aan het hoofd van de Salim Groep, een immens financieel en handelsimperium met wereldwijde vertakkingen. Zijn vermogen wordt geschat op ruim 10 miljard dollar.

De overzeese gebieden van zijn rijk bestiert hij via Liem Investors, onderverdeeld in een handelspoot, de First Pacific Enterprises Ltd., en een financiële poot, de First Pacific Investment Ltd. Beide maatschappijen controleren een aantal superholdings, gevestigd in Hongkong, de Nederlandse Antillen, Nederland en de VS. Liems thuisbasis is de groep Bank Central Asia (BCA), bestaande uit banken en verzekeringsmaatschappijen. De Salim Groep bezat in 1989 aandelen in 192 Indonesische ondernemingen.

In september 1990, een maand na het herstel van de diplomatieke betrekkingen tussen Peking en Jakarta, besloot Liem te investeren in de provincie Fujian, waar ooit het rijstveld van zijn vader lag. Gepensioneerd accountant Utomo Josodirdjo, geboren Liem King Hok, heeft Liems Chinese avontuur van meet af aan gevolgd: “Hij begon met daar een school te bouwen, een gift, daarna schonk hij de provincie een universiteit. De grond is van de regering en voor de financiering maakte hij gebruik van China's soepele kredietsysteem. Voor elke dollar die je binnenbrengt, krijg je van de Chinese regering een lening in yuan ter waarde van 2 dollar tegen 4 procent rente”. Liem maakte van dezelfde regeling gebruik voor projecten in Fujian, zoals een schoenenfabriek, een fabriek voor instant-mie, kantoren en hotels. Vorig jaar ging Liems holding in Hongkong een joint venture aan met een onderneming uit Singapore voor de aanleg van een groot industrieterrein in Fujian.

Liem Sioe Liong werd op de voet gevolgd door zijn voormalige bankier, Mochtar Riady, geboren Lee Mo Sing. Diens voorouders komen eveneens uit Fujian; hijzelf werd in 1929 geboren in Malang, Oost-Java. In de jaren veertig koos hij de kant van de nationalisten. Dat was voor het Nederlandse gouvernement aanleiding om hem uit te zetten naar China. Na terugkeer in het onafhankelijke Indonesië had hij een belangrijk aandeel in het succes van drie Indonesische banken en liet zich onder meer betalen in aandelen. In 1975 werd hij president-directeur van Liems kwijnende BCA, nu de grootste bank van Indonesië, in ruil voor 17,5 procent van de aandelen.

Met zijn aldus vergaarde vermogen zette Riady een eigen handelsfirma op, PT Lippo Indah Trading. Die groeide uit tot een conglomeraat, de Lippo Groep, die zich voornamelijk toelegt op financiën en onroerend goed en intussen goed is voor zo'n 4 miljard dollar. Het binnenlandse paradepaard is Lippobank, een van de grootste banken van Indonesië. De Lippo Groep bezit banken in Hongkong, Taiwan, de VS, Singapore en Londen. Riady is ambitieus: “Ik wil dat Lippo de Mitsui of Mitsubisbi van de 21ste eeuw wordt”, zei hij tegen Asiaweek.

Riady's Lippo Groep tekende in november een overeenkomst met de autoriteiten van Fuzhou, een stad van vijf miljoen inwoners in Fujian, voor de aanleg van tolwegen, bruggen, vliegvelden en havenfaciliteiten, ter waarde van 1 miljard dollar. Zoon Stephen Riady, die de Lippo-poot in Hongkong drijft, voorziet een geleidelijke groei van de groepsactiviteiten in China, maar relativeert de huidige omvang: “De meeste projecten verkeren nog in het planningsstadium; we hebben tot nu toe niet meer dan 30 miljoen dollar in China vastgezet”.

De recente storm in de Indonesische media over de vermeende kapitaalvlucht naar China heeft de proporties nogal scheefgetrokken: Utomo schat dat slechts twintig procent van de genoemde investeringen Indonesisch geld is, de rest komt uit Hongkong. Het staat echter buiten kijf dat het Indonesische bedrijfsleven belangstelling heeft voor China. Lippo-topman Riady belegde onlangs in Jakarta een lunch-bijeenkomst met de burgemeester van Fuzhou en een aantal Indonesische ondernemers over investeringsmogelijkheden aldaar. De opkomst was groot. In februari had de Indonesische kamer van koophandel een gesprek met Qian Yongnian, de Chinese ambassadeur in Jakarta, waar Qian toezegde lokale partners te zoeken voor Indonesiërs die willen investeren in zijn land.

Naar verluidt heeft een van 's lands bekendste pribumi-ondernemers, Probosutedjo, een halfbroer van president Soeharto, ook belangen in China. Tegen een Indonesische krant zei hij dat de recente investeringen in China “geen kwestie zijn van tekortschietende vaderlandsliefde of nostalgie, maar voortvloeien uit een realistische vergelijking van het investeringsklimaat in Indonesië en China”.

Een Chinese diplomaat in Jakarta, die anoniem wil blijven, verbaast zich over alle drukte: “Ik bespeur hier bij sommige mensen een hardnekkig vooroordeel. Als een Indonesische zakenman van Chinese afkomst in China investeert, denken zij dat hij geld schenkt aan het land van zijn voorouders. Ondernemers geven geen geld weg; als zij investeren in een ander land hebben zij maar één motief, winst, en dat lijkt me doodnormaal”.