Havenstad Split geteisterd door oorlog, inflatie

De havenstad Split aan de Kroatische kust maakt met zijn volle terrassen en files nog een redelijk vitale indruk. Maar de schijn bedriegt. In werkelijkheid kampt de stad met een oorlogseconomie die gepaard gaat met hyperinflatie, toeristische boycot en industriële ineenstorting. Dat Split nog leeft, dankt de stad aan de verbindingen via open zee.

De kioskhouder op de met palmen omzoomde boulevard van Split verkoopt in principe nog altijd ansichtkaarten van het genre "Groeten uit Split". Alleen de regel "Printed in Yugoslavia' baart hem kennelijk grote zorgen, want die heeft hij kaart voor kaart zorgvuldig met Typpex weggewerkt. Nieuwe voorraden bestellen heeft geen zin, want het toerisme in dit deel van Kroatië heeft volledig opgehouden te bestaan. Slechts Kroatische soldaten en VN-militairen vertonen zich nog in de Dalmatische havenstad.

Toch lijkt er op het eerste gezicht weinig aan de hand. De inwoners van Split lopen er goed gekleed bij, de terrasjes zitten vol en het verkeer is zo intensief dat files geen uitzondering zijn. Maar de schijn bedriegt. De economische toestand van Split en Midden-Dalmatië, waarvan de havenstad het centrum vormt, is rampzalig. In geheel Kroatië is sprake van een oorlogseconomie die gepaard gaat met een torenhoge inflatie en een ineenstorting van de industrie. Midden-Dalmatië is er nog slechter aan toe. Dit kustgebied - vanaf Sibenik tot aan Makarska - is volledig van de rest van Kroatië afgesneden. Ten zuiden en oosten van Split woedt de Bosnische burgeroorlog en tachtig kilometer ten noorden van de stad ligt de lange frontlijn met de "Servische republiek Krajina'.

De Autoput - de kustweg die door toeristen wegens de vele auto-ongelukken altijd al de dodenweg werd genoemd - verdient die naam nu zeker. Want de steden Zadar en Sibenik waar de weg doorheen loopt, liggen vrijwel dagelijks onder vuur. Bovendien is de brug bij Maslenica tijdens de Servisch-Kroatische oorlog verwoest. Het pontje dat de verbinding nu onderhoudt, moet bij harde wind uit de vaart worden genomen.

Dat Split niet volledig ten onder is gegaan, dankt het vooral aan zijn haven. “Als je een vinger in de zee kan steken, maak je deel uit van de hele wereld”, stelt drs M. Razovic, uitvoerend manager van de afdeling Diensten (toerisme, handel en verkeer) van de Kamer van Koophandel in Split. Officieel was de economie in Dalmatië tot 1989 voor acht procent direct afhankelijk van het toerisme maar indirect was dat percentage veel hoger. “We realiseren ons nu pas hoe belangrijk het toerisme was, ook voor de handel, de landbouw en de scheepvaart”, zegt Razovic.

Hij schat dat de regio jaarlijks 2,5 miljard D-mark misloopt als gevolg van het wegblijven van toeristen. In 1987 trok Midden-Dalmatië 1.980.000 buitenlandse toeristen en 1.100.000 vakantiegangers uit het voormalige Joegoslavië zelf. In 1990 zochten nog altijd 1.600.000 buitenlandse toeristen de Dalmatische zon op. “En sindsdien is het afgelopen”, concludeert Razovic mismoedig. “Nul komma nul.”

Alleen in het ver van het oorlogsgeweld gelegen Istrië, in het uiterste noordwesten van Kroatië, vertoont het toerisme weer tekenen van herstel. In de regio Split zijn 38.678 hotelbedden ter beschikking gesteld aan Kroatische en Bosnische vluchtelingen, terwijl nog eens 30.000 vluchtelingen in bungalowparken vertoeven. “Eerst brachten we de vluchtelingen overal onder maar nu de oorlog zich al drie jaar voortsleept, proberen we de nieuwste en meest luxueuze hotels vrij te houden voor eventuele gasten”, zegt Razovic. “We hebben nu weer 20.000 hotelbedden gereed”.

Tot dusverre hoefden de lakens nog niet verschoond te worden, maar Razovic houdt moed. Hij wijst op “het volkomen veilige karakter” van de Dalmatische eilanden. Zes weken geleden is op het eiland Brac een nieuw vliegveld geopend en het regiobestuur stelt voorts pogingen in het werk een directe bootverbinding tussen Italië en de eilanden tot stand te brengen. “Vergeet niet dat het eiland Vis dichter bij Pescara ligt dan bij de frontlijn in de Krajina”, zegt Razovic. “Maar weet u wat het is? Op het CNN-kaartje ligt Split misschien een millimeter van Bosnië verwijderd en de mensen zijn dus bang om te komen. Zeg uw landgenoten toch vooral dat ze van harte welkom zijn en dat we ze zullen laten zien hoe veilig het hier is.”

Pag 18: Split overleeft dankzij de overzeese verbindingen

Tot 1989 - vóór het begin van de oorlog tussen Kroatië en Servië - kwam 40 procent van het BNP in de regio Split voor rekening van de industrie, 22 procent van de handel, 15 procent van de transportsector en 8 procent van het toerisme. In 1992 was het aandeel van de handel verdubbeld tot 45 procent en dat van de industrie gedaald tot dertig procent. Maar het BNP van geheel Kroatië, en dat geldt ook voor Dalmatië, is in die drie jaar met 45 procent gedaald. “De handelssector is in absolute cijfers even groot als drie jaar geleden”, stelt dr P. Filipic, hoogleraar aan de economishe faculteit van de universiteit van Split. “Dat het aandeel van de handel in die drie jaar procentueel is verdubbeld, maakt duidelijk in wat voor abnormale situatie we leven.”

Als gevolg van de ineenstorting van de economie in de regio Split is de werkloosheid - in 1989 tien procent van de beroepsbevolking - gestegen tot 24 procent. Het gemiddelde maandinkomen bedraagt nog slechts 250 D-mark. Dat geldt ook voor Filipic zelf. “In 1989 verdiende ik per maand ongeveer 2000 D-mark netto. Ik ging ieder jaar op vakantie naar Italië of Frankrijk en ik bezat een tweede huis. Nu moet ik alle zeilen bijzetten om van mijn 250 mark rond te komen.”

Vóór de Servisch-Kroatische oorlog bedroeg de inflatie van de Joegoslavische dinar 40 à 50 procent op jaarbasis. Na het uitroepen van de Kroatische onafhankelijkheid en de introductie van de Kroatische dinar, ging het aanvankelijk niet slecht. Ondanks de oorlog met Servië wist de Kroatische overheid - in samenwerking met het IMF - de inflatie beperkt te houden tot twee à vijf procent per maand. Pas bij het uitbreken van de Bosnische burgeroorlog - ruim een jaar geleden - ging het mis, onder meer omdat vanaf dat moment ook de Bosnische Kroaten de Kroatische dinar als betaalmiddel gingen gebruiken.

Bij de Kroatische Nationale Bank ontstond verschil van mening, legt Filipic uit. Sommigen wilden een hard monetair beleid blijven voeren, anderen waren er voorstander van om meer geld in omloop te brengen. Aanvankelijk had de eerste vleugel de overhand. Maar de oorlogsinspanningen vergden steeds meer geld, evenals de opvang van vluchtelingen. Eind 1991 trok de "laat-de-persen-maar-draaien-stroming' definitief aan het langste eind. De inflatie begon onmiddellijk te stijgen, van 6,4 procent in juli 1991 tot 25,3 procent in november van dat jaar. Het dieptepunt was in oktober 1992 toen de dinar 38,2 procent van haar waarde verloor. Sindsdien schommelt het percentage rond de 25 procent per maand.

“We kampen met inflatie en tegelijkertijd met economische crisis en oorlog”, stelt Filipic. “We proberen alles om de inflatie te beteugelen maar tegelijkertijd rijzen de kosten van het leger de pan uit, evenals die van de sociale ondersteuning van armlastige families, de bestrijding van de werkloosheid en de opvang van de vluchtelingen.” De chaotische economische situatie leidt er volgens de hoogleraar toe “dat het verschil tussen arm en rijk steeds verder oploopt en dat criminelen zich door middel van dubieuze transacties weten te verrijken”.

Van de industriële capaciteit in geheel Kroatië is 35 procent door bombardementen verwoest. De wederopbouw vergt kapitale investeringen maar de Kroatische overheid is voorzichtig met het ondersteunen van de traditionele zware industrie en richt zich vooral op de stimulering van de kleine en middelgrote bedrijven. De ineenstorting van het communisme en de desintegratie van het voormalige Joegoslavië heeft in ieder geval tot voordeel gehad dat het klimaat voor het stichten van nieuwe, kleine bedrijfjes ideaal is. Vooral Dalmatië trekt handige ondernemers aan. “Wie een telefoonaansluiting weet te bemachtigen, zit in de handel”, zegt Filipic. “Je koopt een computer en een fax en je bedrijf is startklaar.” Deze nieuwe privé-ondernemingen tonen zich flexibel en weten handig in te spelen op het machtsvacuuüm in dit deel van Kroatië. Ze verkopen computers, auto's, boten en zelfs vliegtuigen op bestelling. Ook de directies van de grote staatsbedrijven hebben in de afgelopen drie jaar voortdurend moeten improviseren om aan de hausse van ontwikkelingen het hoofd te bieden: de val van het communisme, het uiteenvallen van Joegoslavië, het ontstaan van de nieuwe staat Kroatië, het wegvallen van de traditionele afzetmarkt, het inzakken van de koopkracht, de bombardementen op fabriekscomplexen en de mobilisatie van werknemers.

Het textielconcern Uzor ("Evenbeeld') in Split stond in 1990 op het punt van liquidatie. De positie van de Kroatische dinar was op dat moment sterk, maar omdat de produktiekosten extreem hoog waren, verslechterde de exportpositie van het concern snel. De Kroatische overheid besloot in te grijpen en benoemde M. Kosovic tot algemeen directeur. Hij ontsloeg vijf “ouderwets socialistische directeuren” en verving ze door “jonge, moderne managers”. In twee jaar tijd bracht hij het aantal werknemers terug van 700 naar 550. “Sommigen vloeiden af door natuurlijk verloop, anderen vertrokken uit eigen beweging omdat ze de door mij ingevoerde nieuwe discipline niet aankonden”, laat Kosovic weten.

Met een vooruitziende blik besloot de concerndirectie in mei 1991 de contracten met Italië (meubelbekleding) en Duitsland (confectie) op te zeggen en over te schakelen op de produktie van politie- en legeruniformen. Toen drie maanden later de Servisch-Kroatische oorlog uitbrak beleefde Uzor gouden tijden. “Andere textielfabrieken gingen over de kop, omdat niemand op dat moment met Kroatië wilde samenwerken. Maar onze uniformen vlogen de deur uit. We hadden bovendien een grote voorsprong op andere fabrieken die ook overschakelden op uniformen.”

Inmiddels bestaat tachtig procent van de produktie van Uzor weer uit meubelbekleding, die geëxporteerd wordt naar Italië. De fabriek is nog altijd staatseigendom maar een proces van privatisering is in gang gezet. Het ligt in de bedoeling veertig procent van de aandelen te verkopen aan de werknemers en aan de Italiaanse partner van Uzor. De overige zestig procent zal bij opbod worden verkocht maar Kosovic verwacht dat die aandelen gezien de huidige situatie vooralsnog onverkocht zullen blijven. Net als andere bedrijven in Split ondervindt Uzor grote problemen met het transport van goederen. Tot februari van dit jaar wisten Italiaanse vrachtwagenchauffeurs Split nog te bereiken maar door toenemende beschietingen bij Zadar en Sibenik zijn die ritten gestaakt. Ook de spoorwegen bieden geen alternatief meer. Het centraal station van Split is uitgestorven. Een half afgeplakte dienstregeling maakt nog melding van de exprestrein naar Beograd maar al twee jaar lang is er geen trein meer in Split aangekomen.

Een van de gedupeerden van het wegvallen van deze verbinding is het scheepsbouwconcern "Brodosplit'. Het voor de schepen benodigde staal wordt nu eerst per trein vanuit Tsjechoslowakije en Macedonië naar Rijeka vervoerd en van daar uit per schip naar Split gebracht. De overslag van het staal kost het concern ruim anderhalf miljoen dollar per jaar.

Ook de gebrekkige stroomvoorziening speelt Brodosplit parten. Toen bij een Kroatisch offensief begin dit jaar de Peruca-stuwdam ernstig werd beschadigd, is het stuwmeer leeggepompt, om een milieuramp te voorkomen. De vijf electriciteitscentrales bij het meer functioneren daarom slechts minimaal. Omdat ook het electriciteitsnet in Bosnië ernstig is beschadigd, beschikt Midden-Dalmatië nog maar over een derde van de benodigde stroom. Tot 9 april van dit jaar kreeg Split slechts negen uur per etmaal electriciteit. Sindsdien gaat het iets beter en valt de stroom alleen uit tussen acht uur 's ochtends en vier uur 's middags. Brodosplit kocht een groot aantal generatoren, waarmee het concern in veertig procent van haar electriciteitsbehoefte kan voorzien. De rest wordt van het net betrokken, hetgeen betekent dat de werf slechts op zeventig procent van haar capaciteit kan draaien.

Drie jaar geleden was Kroatië na Japan en Zuid-Korea de grootste scheepsbouwnatie ter wereld. De omzet van Brodosplit bedroeg 300 à 350 miljoen dollar per jaar. De werf bouwde koopvaardij- en marineschepen, olietankers, veerboten en scheepsmotoren, waarvan negentig procent bestemd was voor de export.

Tijdens de Kroatisch-Servische oorlog raakte het concern in grote problemen. Veel werknemers waren gemobiliseerd of meldden zich als vrijwilliger aan het front. In november en december 1991 werd de werf in totaal acht keer getroffen door Servische artillerie-aanvallen. De directe schade bedroeg honderd miljoen dollar maar de totale schade was een veelvoud daarvan. Nieuwe orders bleven uit en in overname genteresseerde bedrijven uit Scandinavië en het Verre Oosten haakten af. Ondanks al deze tegenslagen bleef Brodosplit alles doen om aan haar verplichtingen te voldoen, zegt onderdirecteur ir K. Dulcic. Niet zonder trots maakt hij melding van de levering van een schip aan een Italiaanse opdrachtgever in januari 1992. “Onze werknemers braken dwars door de Servische zeeblokkade heen en wisten het schip in Livorno af te leveren, hoewel ze door Servische troepen onder vuur werden genomen.”

Inmiddels is de rust in Split weergekeerd maar Brodosplit lijkt de klap nog niet te boven. In 1992 bedroeg de omzet nog slechts 200 miljoen dollar en voor dit jaar verwacht Dulcic een verdere daling tot 100 miljoen dollar. Kroatië is gezakt naar de tiende plaats op de lijst van scheepsbouwnaties. “In ieder geval is scheepsbouw nog de enige industrie in dit land die wereldwijd tot de top-tien behoort”, zegt Dulcic. Maar de vooruitzichten zijn ongunstig. De overheid beschikt over onvoldoende monetaire reserves om de werf te ondersteunen en buitenlandse banken tonen zich huiverig om geld te steken in een instabiel land met een hoog oorlogsrisico. Door de stroomstoringen, de transportproblemen en het afnemen van orders wordt bovendien het produktieschema steeds langer, waardoor de financiële situatie van het concern nog verder is verslechterd. Brodosplit moet regelmatig boetes betalen, omdat het concern er niet in slaagt orders op tijd af te handelen. Toch blijft Dulcic optimistisch. “De val van het communisme biedt nieuwe kansen voor onze werf. Nog altijd beschikken we over goed opgeleide scheepsbouwers. We weigeren daarom zelfmoord te plegen en ik weet zeker dat we er weer bovenop zullen komen.”

    • Alfred van Cleef