Expositie over kleurrijke uitgeversfamilie Brusse

Tentoonstelling: W.L. & J. Brusse's uitgeversmaatschappij 1903-1965. T/m 9 juli in de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, werkdagen 9-17u.

W.L. & J. Brusse's Uitgeversmaatschappij 1903-1965, onder redactie van Sjoerd van Faassen, Hans Oldewarris en Kees Thomassen. Uitg. 010 Rotterdam, 272 blz., ƒ 65.

In 1912 schreef de Rotterdamse uitgever Brusse een briefje over twee dichtbundels van respectievelijk Adama van Scheltema en Henriette Roland Holst aan de 'omslagkunstenaar' S.H de Roos: “Mei-droom en De vrouw in het woud zijn beide gedrukt bij de Flakkeesche Drukkerij te Middelharnis, doch wij verzoeken u dat niet aan de concurrenten te zeggen. Na jaren zorg is het ons eindelijk gelukt, dat men daar onze raadgevingen volgt en voor ons speciale zorg besteedt."

Het resultaat van de bijzondere aandacht van Brusse voor de boekverzorging is tot en met 9 juli te zien op de tentoonstelling 'W.L. & J. Brusse's uitgeversmaatschappij 1903-1965' in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag en in het gelijknamige boek, dat bij de opening van de expositie werd gepresenteerd. Behalve schitterende illustraties van vele tientallen uitgaven, bevat het boek ook de complete, door de Koninklijke Bibliotheek samengestelde en circa 1500 titels tellende fondslijst van Brusse's Uitgeversmaatschappij. Een aantal beschouwingen besteedt aandacht aan de geschiedenis van de uitgeverij en de terreinen waarop deze een rol heeft gespeeld.

Onder geinteresseerden in de Nederlandse boekgeschiedenis heeft de naam Brusse een bekende klank. In een analyse van het fonds van de uitgeverij legt de neerlandicus en literatuurwetenschapper Frank de Glas uit hoe dat komt. “De een herinnert de naam aan een fonds dat (zonder partijgebonden te zijn) veel plaats gaf aan socialistische en sociaal-democratische auteurs als C.S. Adama van Scheltema en Henriette Roland Holst-van der Schalk. Een ander denkt wellicht het eerst aan Brusse als de uitgever van de Rotterdamse journalist M.J. Brusse, die niet alleen met zijn legendarische Boefje, maar ook met talloze journalistieke reportages een groot publiek wist te bereiken. Voor weer anderen wordt het beeld bepaald door de talrijke uitgaven op het gebied van de kunsten (beeldende kunst, bouwkunst, vormgeving, muziek en film): boeken waarin de uitgeverij niet alleen ruim baan gaf aan vernieuwende tendensen in deze kunsten, maar waarbij ze ook in de vormgeving van de uitgaven haar tijd ver vooruit was. En ten slotte is ook de hoge Rotterdam-factor een in het oog lopend kenmerk.”

Over de grondlegger van de uitgeverij en zijn kleurrijke, creatieve familie zou alleen al een onderhoudend boek kunnen worden geschreven, zoals blijkt uit de bijdrage van boekhistoricus Sjaak Hubrechtse. W.L Brusse, die de uitgeverij oprichtte was een vooraanstaand lid van de SDAP. Hij werd in 1909 samen met onder anderen de dichter Herman Gorter lid van de linksradicale SDP, de voorloper van de CPN en trok de socialistische auteurs aan die toen in de mode waren. Zijn oudste broer J.C. Brusse had grote belangstelling voor stijlvernieuwing op het gebied van bouwkunst, ambachtskunst en boekdrukkunst en legde contacten met kunstenaars als H.P. Berlage, wiens hele oeuvre bij Brusse is verschenen. De derde broer, NRC-journalist en schrijver M.J. Brusse, zorgde met zijn talloze malen herdrukte Boefje voor een van de lucratiefste 'bestsellers' van de uitgeverij. Hij is tevens de vader van de Brusse-broers (de journalisten Jan en Peter, de acteur Kees en de beeldhouwer Mark) die ook nu nog bekendheid genieten.

Voor literatuurhistorici is vooral de bijdrage van Sjoerd van Faassen, hoofd van de afdeling collecties van het Letterkundig Museum, interessant. Hij geeft een beeld van de verhouding tussen de Brusses en hun fondsauteurs, die in een aantal gevallen (Adama van Scheltema, Jef Last en J.W. de Boer) uitvoerig gedocumenteerd is. Uit het artikel van Van Faassen blijkt wat de grote kracht was van Uitgeverij Brusse: een sterke betrokkenheid bij maatschappelijke, politieke en artistieke ontwikkelingen zonder gebondenheid aan enigerlei richting op literair of politiek gebied. Het literaire fonds kende echter wel een aantal zwaartepunten, zoals: Rotterdam, journalistiek (veel NRC-journalisten schreven fictie voor Brusse), populaire lectuur en proza dat tot de nieuwe zakelijkheid gerekend kan worden.

Op non-fictieterrein onderscheidde het fonds van Brusse zich door de grote hoeveelheid uitgaven op het gebied van architectuur en toegepaste kunst. Daarover handelt de bijdrage van de architect-uitgever Hans Oldewarris, die veel aandacht besteedt aan de verhouding tussen Brusse en Berlage en die ook ingaat op het tijdschrift Goed Wonen dat door Brusse werd uitgegeven.

Het verdient aanbeveling om het boek W.L & J. Brusse's Uitgeversmaatschappij ter voorbereiding van een bezoek aan de tentoonstelling door te nemen en in het bijzonder het hoofdstuk Boekverzorging van Koosje Sierman. Samen met de fondscatalogus en de daarin opgenomen beschrijvingen van onder andere de geëxposeerde boeken vormt deze bijdrage een uitstekende gids voor de tentoonstelling, die de weerspiegeling is van een boeiend stuk uitgeversgeschiedenis.