Estland; Minderheid in het geweer

Rusland is boos, het Westen verontrust: de Esten hebben gisteren gekozen voor een duidelijke verharding van hun wet op het staatsburgerschap. Daarmee kan een flink deel van de 600.000 niet-Estse inwoners van de Baltische republiek - meer dan dertig procent van de totale bevolking - in moeilijkheden komen.

Het Estse parlement, de Riigikogu, nam gisteren met 59 stemmen voor en slechts drie tegen een wetsvoorstel aan waarin wordt bepaald dat de niet-Esten die vóór 1 juli 1990 in Estland woonden nog twee jaar in het land mogen blijven. Ze moeten in die periode, voor zover ze dat niet al hebben gedaan, ofwel het Estse staatsburgerschap ofwel een verblijfsvergunning aanvragen. Doen ze dat niet, dan worden ze het land uitgezet.

Op zich vormt die eis niet zo'n probleem. De Esten hebben hun voorwaarden voor de verlening van het Estse staatsburgerschap aan de leden van de minderheid het afgelopen jaar al aanzienlijk afgezwakt, vooral waar het de voor de Russisch sprekende burgers geldende eis van een behoorlijke beheersing van de Estse taal betreft. De centrum-rechtse regering van premier Mart Laar heeft bij haar aantreden in oktober vorig jaar bovendien beloofd zich soepel op te stellen ten aanzien van de niet-Esten die in Estland willen blijven. Dat zou niet alleen gelden voor de 40.000 Russen die een aanvraag hebben ingediend voor het Estse staatsburgerschap, maar ook voor de Russen en Russinnen die met Esten zijn getrouwd en hun kinderen. Ook zou een dubbel - Russisch en Ests - staatsburgerschap tot de mogelijkheden moeten gaan behoren.

Het grote probleem bij de gisteren aangenomen wet schuilt hem echter in de toepassing van de wet. De Estse regering heeft al bij voorbaat aangekondigd dat een verblijfsvergunning zal worden geweigerd aan vroegere en huidige werknemers van “buitenlandse veiligheidsdiensten”, mensen die dienen bij “de gewapende macht van andere landen”, gepensioneerde en reserve-officieren (en hun gezinnen) van andere legers dan het Estse en aan niet-Esten zonder werk.

Dat betekent dat alleen al tienduizenden gepensioneerde Sovjet-officieren in Estland al bij voorbaat uitgesloten worden en er rekening mee moeten houden als “illegale buitenlanders” uit Estland te worden gedeporteerd.

Dat vooruitzicht heeft de afgelopen weken grote onrust gewekt onder de Russische minderheid. Een van haar belangenorganisaties, de Russische Vergadering, bestempelde vorige week de wet als “een sanctionering van etnische zuivering” en “een daad van staatswraak” op de Russische minderheid. De wet is volgens de Russische Vergadering - de meest gematigde van de twee organisaties van de minderheid - bedoeld om de Russische minderheid te beroven van haar sociale zekerheden en om “ondraaglijke levensomstandigheden” te scheppen teneinde haar te dwingen het land te verlaten. De Russen in Estland voorspellen massale stakingen, openbare onrust en zelfs gewapend verzet als de Esten daadwerkelijk beginnen met het deporteren van leden van de minderheid. Ze krijgen vrijwel dagelijks steun uit Moskou, waar men de regering in Tallinn “extreem nationalisme” verwijt. Het probleem van de Russische minderheid in Estland staat de voortgang van overleg over het vertrek van de laatste Russische militairen, de regeling van een doorzeurend Russisch-Ests grensconflict en een verbetering van de economische samenwerking in de weg. Moskou tracht ook met verwijzing naar de nationaliteitenkwestie de toegang van Estland tot internationale organisaties te blokkeren. Na de stemming in de Riigikogu van gisteren gaf Rusland een nieuwe verklaring uit waarin werd gewaarschuwd voor de “ernstige gevolgen” van de nieuwe wet voor niet alleen Estland maar “de hele Oostzeeregio”.

De regering van Mart Laar bevindt zich tussen twee hete vuren, want aan de andere kant zijn ook de radicale Estse nationalisten tegen de nieuwe wet: zij willen simpelweg van al die 600.000 niet-Esten af en vinden dat de nieuwe wet teveel leden van de minderheid de mogelijkheid biedt in Estland te blijven. “Er zijn teveel Russen in Estland. 900.000 Esten kunnen onmogelijk meer dan een half miljoen Russische kolonisten assimileren die zich in de loop van vijftig jaar Sovjet-bezetting in Estland hebben gevestigd”, aldus Jüri Estam, een van de leiders van de nationalisten. Volgens Estam moet er een quota-regeling komen voor de legalisering van de “illegalen” - met een jaarlijks maximum van 0,1 procent van de bevolking van Estland.

De mededeling van de regering, dat een aantal categorieën van de minderheid al bij voorbaat niet zal kunnen rekenen op een verblijfsvergunning in Estland, wordt gezien als een concessie aan de nationalisten. De regering van Mart Laar kan zich niet veroorloven hen simpelweg te negeren: de steun voor zijn coalitie is sinds zijn aantreden in de herfst van vorig jaar snel afgenomen, vooral door de ernstige economische crisis. Volgens de peilingen zakte de aanhang van Laars eigen partij Isamaa (Vaderland) binnen drie maanden zelfs van 22 naar tien procent en die van de Nationale Onafhankelijkheidspartij, zijn coalitiepartner, van negen naar drie procent. Volgens een peiling vond in maart 76 procent van de Esten dat het met de economie in vergelijking met een jaar eerder bergafwaarts gaat. Dat is weliswaar minder dan in de andere Baltische landen, Letland en Litouwen, waar de ontevredenheid nog groter is, maar het is wel meer dan Mart Laar lief is.