Delors schuwt discussie over sociaal stelsel niet; EG-leider erkent hoge loonkosten als belemmering voor nieuwe banen

KOPENHAGEN, 22 JUNI. De regeringsleiders uit de twaalf lidstaten van de EG voelen niets voor "Amerikaanse toestanden' om het aanzwellende leger van werklozen in de gemeenschap aan (laagbetaalde) banen te helpen. Economische recessie of geen economische recessie, Europa blijft Europa. Dat viel gisteren op te maken uit de reacties op de bijdrage van voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie aan het debat over werkgelegenheid en economische groei op de Europese Top in Kopenhagen.

Delors sprak indringend over het onvermogen van de Europese economieën om ook bij een redelijke groei voldoende banen te scheppen voor alle werkzoekenden, en over de noodzaak om "arbeid' in Europa goedkoper te maken. Maar hij vermeed zorgvuldig om bij die analyse de sociale zekerheid in de EG-lidstaten ter discussie te stellen. Dat is geen verrassing overigens. Als Frans socialist lijkt hij niet de aangewezen persoon om als eerste de aanval te openen op de Europese welvaartsstaat. Bovendien weet hij als voorzitter van de Europese Commissie dat lidstaten er een gruwelijke hekel aan hebben als "Brussel' zich gaat bemoeien met zaken die (nog) als typisch nationaal worden beschouwd. Het sociaal (uitkerings)beleid en het arbeidsmarktbeleid vallen duidelijk onder de categorie van nationale gevoeligheden.

Toch is Delors niet zo "laf' als men uit een oppervlakkige beoordeling van zijn optreden van gisteren zou kunnen afleiden. Want indirect heeft Delors, en dat heel bewust, wel degelijk het startsein gegeven voor een Europese discussie over verlaging, of in ieder geval aanpassing, van de sociale zekerheidsstelsels in de lidstaten. Immers, de commissie-voorzitter heeft in zijn analyse ondubbelzinnig aangetoond dat de hoge arbeidskosten in de EG een noodzakelijke aanwas van de werkgelegenheid in de weg staan. Vooral in de dienstensector moeten er veel meer laaggeschoolde banen bijkomen, aldus Delors.

Door voor het eerst in de geschiedenis van de gemeenschap zo'n helder verhaal op tafel te leggen over het verband tussen werkgelegenheid en arbeidskosten, heeft Delors niet alleen het onderwerp bespreekbaar gemaakt, maar in feite ook de discussie daarover onontkoombaar gemaakt. En de individuele lidstaten doen daar, getuige hun instemmende reacties op de analyse van Delors, van harte aan mee. Zeker omdat het door Delors opgestelde scenario hen alle ruimte geeft om zich op nationaal niveau te bezinnen. Delors heeft niets anders gedaan dan te stellen dat de arbeidskosten te hoog zijn. Aan de lidstaten de taak om aan te geven hoe ze - ieder voor zich - die arbeidskosten naar beneden willen brengen, met in het achterhoofd de wetenschap dat loonmatiging alleen niet voldoende rendement oplevert.

Zo ging gisteren ook premier Lubbers in op de interventie van Delors. Weliswaar zijn in Kopenhagen geen concrete voorstellen besproken, maar de boodschap van Delors dwingt de lidstaten wel om na te denken over zaken als “deregulering, verlaging van fiscale druk, flexibilisering van de arbeidsmarkt en over het systeem van sociale zekerheid”, aldus Lubbers. Hij noemde de analyse van Delors weliswaar “niet nieuw”, maar wel “openhartig”.

In feite gingen gisteren alle regeringsleiders achter het verhaal van Delors staan, waarbij de grootste steun kwam van de Duitse bondskanselier Kohl. Ook Duitsland leeft boven zijn stand en ook in Duitsland is de arbeidstijdverkorting te ver doorgevoerd, aldus de bondskansalier. Kohl wil zelfs niet wachten met het uitwerken van maatregelen tot het verschijnen, eind van het jaar, van een door de Europese Commissie aangekondigd 'Witboek'. Als het aan hem ligt beginnen de EG-ministers van financiën al over 4 tot 6 weken met een diepgaande discussie. En zelfs de Britse premier Major - die gisteren openlijk ten strijde trok tegen de hoge sociale kosten in de EG en de “rigiditeit” van de arbeidsmarkten - noemde de analyse van de Fransman “sober en lucide”.

Die brede steun betekent dat vanaf nu ook in EG-verband de politieke discussie zal worden gevoerd over aanpassingen in de sociale zekerheid en in het arbeidsmarktbeleid. Dat betekent niet dat er op die terreinen in de toekomst dictaten vanuit Brussel zullen worden opgelegd, maar wel dat in Brussel zal worden overlegd over coördinatie en afstemming van het beleid in de verschillende lidstaten. Net zoals nu al communautaire afspraken worden gemaakt over investeringsprogramma's in grote infrastructurele werken, waarbij iedere lidstaat de vrijheid houdt om geld te stoppen in de projecten die zij van belang acht.

Dat men in de komende discussie onvermijdelijk terecht komt op gevoelige terreinen, blijkt ook uit de ambtelijke voorbereidingen in de afgelopen maanden. Zo kwamen ambtenaren van Sociale Zaken uit de 12 lidstaten dit voorjaar al tot de vaststelling dat de werkloosheid in de EG gemeenschappelijk kenmerken heeft: relatief veel jongeren zitten zonder baan, vooral onder laaggeschoolden is de werkloosheid hoog, en in alle landen neemt de langdurige werkloosheid toe.

Pag 18: "Amerikaanse toestanden"

De ambtelijke deskundigen stellen eensgezind dat het probleem van de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt in de meeste lidstaten is terug te voeren op het grote aandeel van de niet-loonkosten in de totale arbeidskosten. Daarbij gaat het dus om het aandeel van de belastingen en sociale premies. Die "wig' moet worden verkleind waarbij onder andere “structurele maatregelen genomen zouden moeten worden om de groei van publieke uitgaven aan banden te leggen, inclusief de uitgaven voor sociale zekerheid”.

Andere voorstellen betreffen het onder de loep nemen van het ontslagrecht, de verbetering van opleiding en herscholing, het stimuleren van nieuwe werkpatronen en het streven naar grotere loonverschillen tussen de verschillende categorieën werknemers op de arbeidsmarkt.

Ook bevelen de ambtenaren aan dat landen “waar het verschil tussen netto-inkomen uit arbeid en inkomen zonder arbeid niet erg groot is” adequate beleidsmaatregelen nemen om “incentives die toetreding tot het arbeidsproces belemmeren” te verminderen. In dit kader past het vorig jaar door de Nederlandse regering aangekondigde voornemen om een ruimte van ten minste 10 procent te scheppen tussen het minimumloon en de laagste werkloosheidsuitkering. Dat verschil bedraagt op dit moment 3 procent.

Een hoge Nederlandse ambtenaar noemde de gezamenlijke aanpak, waartoe gisteren werd besloten, een belangrijke stap voorwaarts. Maar het besluit wil volgens hem nog niet zeggen dat de gemeenschap nu de weg is ingeslagen die uiteindelijk toch zal leiden tot de gevreesde "Amerikaanse toestanden'. “Er is nog wel een groot verschil tussen het enigszins aanpassen van het Europese welvaartsniveau en de praktijk zoals die in de Verenigde Staten bestaat”, aldus de ambtenaar. Ook volgens hem blijft Europa in de toekomst Europa. “Het is natuurlijk allemaal een kwestie van maatvoering”.