Bewindslieden worden bij belangentest uitgeschud

Sinds de Tweede Kamer in 1971 een onachtzame staatssecretaris in het kabinet-Biesheuvel betrapte op het bekleden van een betaalde nevenfunctie die hij bij zijn benoeming had verzwegen, worden ministers en staatssecretarissen voordat ze worden voorgedragen aan een grondige belangentest onderworpen.

Kon in de jaren zestig nog weleens een bewindsman met verborgen financiële belangen - variërend van belangrijk aandelenbezit tot adviseursfuncties in grote ondernemingen - als gevolg van een lankmoedige controle op de regeringskussens terechtkomen, sedert jaren valt er met de aanmeldingsplicht en de screening van het "belangenbezit' niet meer te spotten. De kandidaat-ministers en -staatssecretarissen worden nu tweezijdig doorgelicht en indien nodig uitgeschud. Dat is menig kandidaat al op een forse financiële aderlating komen te staan.

Niet alleen moet een door de kabinetsformateur aangezochte minister of staatssecretaris vooraf schriftelijk verklaren “a. welke belangen hij in een of meer ondernemingen heeft; b. welke functies en nevenfuncties hij uitoefent; c. welke nevenwerkzaamheden hij verricht” (art. 1 van de Regeling inzake onverenigbaarheid van belangen en functies voor ministers en staatssecretarissen van 13 oktober 1978, een voorziening die nog geen rekening hield met de financiële belangen van bewindsvrouwen en geheel in de hij-vorm is gesteld). Evenzo moet hij overige gegevens over zijn vermogenspositie “waarvan kennisneming voor de formateur van belang is met het oog op de goede uitoefening van het toekomstige ambt” aan de formateur c.q. de minister-president bekendmaken (art. 1, sub d.).

Art. 2 schrijft voor dat alle financiële banden met en belangen in het vorige bestaan voor de benoeming worden opgegeven en dat voorzieningen in het vermogensbeheer worden getroffen. Dat gebeurt allemaal niet met de Franse slag.

De Toelichting zegt daarover: “a. Uitgangspunt is dat: - functies en nevenfuncties worden neergelegd, benevens de werkzaamheden, die naar het oordeel van de formateur c.q. de minister-president tot onwenselijke vermenging van belangen aanleiding kunnen geven; - belangen in ondernemingen worden afgestoten, voor zover bij de ambstaanvaarding te voorzien is dat deze in strijd kunnen komen met een goede ambtsuitoefening dan wel de schijn kunnen wekken dat objectieve besluitvorming in bepaalde gevallen niet gewaarborgd is. In ieder geval zal aandacht worden geschonken aan belangen in één onderneming, die zowel in nominale als in procentuele zin niet te omvangrijk mogen zijn, prioriteitsaandelen, aandelen of deelnemingen in ondernemingen die voor overheidsorders, overheidssteun, investeringspremies e.d. in aanmerking komen, en aandelen of deelnemingen in (semi-)overheidsbedrijven; - bij het afstoten van belangen kan in beginsel gedacht worden aan twee mogelijkheden: vervreemding van de eigendom resulterend in een andere belegging van het vermogen, of het overdragen van het beheer van het vermogen aan een derde”.

Niet bekend

De zuiveringsclausule kostte In 't Veld de helft van zijn inkomen. Als hoogleraar/adviseur verdiende hij twee keer zoveel als een staatssecretaris. De handtekening onder zijn benoemingsbesluit had een inkomensvermindering van een slordige ƒ 180.000,- per jaar tot gevolg. Dat toonde wat Lubbers de innemende kant van de staatssecretaris in spe en de andere kant van de medaille noemde: In 't Veld was zonder morren bereid geweest van zijn dubbele inkomen af te zien en genoegen te nemen met het loontje van staatssecretaris. Voor premier Lubbers was daarmee de kous af. Voor hem telde slechts de vraag of de benoeming aan de formele vereisten voldeed. Een moreel oordeel over de accumulatie van functies hoefde hij als minister-president niet te geven. Zelfs als hij daar morele bezwaren tegen zou hebben gehad, zou dat oordeel niet van hem worden gevraagd.

In 't Veld werd na de publikatie over zijn particuliere nevenfuncties in Vrij Nederland en de schriftelijke vragen van de VVD in de Tweede Kamer op politieke gronden tot aftreden gedwongen, maar de reden daarvan hield ook verband met nadere vragen waartoe de regeling van de belangenscheiding aanleiding gaf. Zoals de vragen hoeveel geld hij in de kas van zijn faculteit had teruggestort, of hij studenten gratis voor zijn particuliere karretje had gespannen en hoe vaak hij de fax van de universiteit voor zijn nevenwerkzaamheden had gebruikt. Hoewel de formele Regeling die vragen niet specificeert hield minister Ritzen er rekening mee dat die vragen tot nader onderzoek zouden leiden. Met de op het Binnenhof gangbare ironie was Ritzen er zeker van dat het daarbij voornamelijk om nader journalistiek onderzoek zou gaan. In 't Veld zou daardoor wekenlang door hinderlijke, al dan niet juiste, publikaties over zijn universitaire verleden worden achtervolgd, waardoor hij geruime tijd een lame duck zou zijn. Daardoor was hij een bedrijfsrisico geworden.

    • H.A. van Wijnen
    • Redacteur NRC Handelsblad