Aladdin

Met het voorleesboek onder de arm bel ik bij mijn oppasadres aan. Het oudste broertje doet open. Hij houdt zijn hoofd scheef om te controleren of ik wel het juiste boek bij mij heb, haalt dan krachtig zijn neus op, buigt voorover, steunt zijn palmen op de grond, gooit zijn benen in de lucht en loopt op zijn handen de gang door. Als hij over de drempel van de kinderkamer is, roept hij, nog steeds vanuit die omgekeerde positie, tegen zijn broertje: “Luc, voorlezen!”

Langzaam achteruitlopend komt Luc de keuken uit. Afwijzend schudt hij het hoofd en houdt zijn handen voor zich uit alsof hij iets aan het bezweren is. Direct achter hem aan draagt zijn moeder in haar eveneens vooruitgestoken handen een bord eten. Haar schort, haar wanhopige stem en het gebaar waarmee ze de hardnekkig weigerende zoon haar in spijzen omgezette liefde aanbiedt, geven het tafereel een tragische dimensie.

“Hoe denk je dan groot en sterk te worden? Je hebt al drie dagen niets gegeten!” Luc snelt de kinderkamer binnen en knalt de deur achter zich dicht. Zijn moeder zucht. “Ga maar vast voorlezen”, zegt ze.

In de kinderkamer zitten de gebroeders startklaar met alle kussens uit het huis in de rug en sommeren mij zo snel mogelijk tussen hen in plaats te nemen. Uit een onooglijk boekje met kleurloze plaatjes lees ik Aladdin en de Wonderlamp. Dit verhaal maakt hele bibliotheken overbodig. Ik hoef niet te fluisteren om de spanning op te voeren, noch mijn stem te verheffen om een schrikeffect te verhogen. Hoe onverschilliger ik lees, hoe beter het is. De kinderen leunen allang niet meer tegen de kussens. Hun hoofden rusten tegen mijn armen en schouders.

Alle twee schrikken ze even als de deur opengaat, maar ik onderbreek het verhaal geen moment. Op de tenen komt hun moeder binnen met het bord vol eten. Onhoorbaar schuift ze, naast Luc, een krukje bij en begint haar zoon te voeren. Zodra Luc de lepel tegen zijn wang voelt, opent hij automatisch zijn mond en slikt door. Hij merkt niet dat hij eet. Als het bord leeg is, sluipt zijn moeder weer weg.

Het verhaal is uit. Het oudste broertje moet plassen. Luc leunt zwijgend achterover in de kussens, het verhaal als een droom in zijn ogen. Wanneer hij aan tafel wordt geroepen, loopt hij, als een slaapwandelaar, naar de keuken. En als zijn moeder voor de tweede keer een bord voor hem volschept, begint hij met afwezige blik opnieuw te eten.