Spul

Hoe mensen doodgaan? Dan denkt hij na. Dan voelt hij even aan zijn voorhoofd.

Wat hij te vertellen heeft begint in 1925 ongeveer, op een dorp in de Betuwe. Het dorp aan een rivier. De dijk langs die rivier. De huisjes aan die dijk. De mensen in die huisjes. Zieke mensen in het beklemmende duister van de bedstee.

“In zeker jaar”, zei mijn vader, “stierven beide buurvrouwen van mijn moeder aan tbc. Ze werden op 31 augustus begraven. De doodsklokken beierden over het feestterrein.”

Een zekere Willem Vroegh - hij had twee broers en een zuster verloren. Zichzelf dacht hij te genezen met geitemelk. Verschrikkelijk spul, geitemelk. Maar Willem zei: die tbc krijgt mij niet kapot, die zuip ik eruit. Hij dronk een emmertje per dag.

In die tijd stond er veel meer hout in de polder dan nu. In een bosje haalden ze een nest met kneuters uit. Met de jongen in een kooitje liepen ze langzaam over de dijk, de oudervogels er angstig achteraan. Als dat kooitje aan het huis gehangen werd, gingen die gewoon door met hun jongen te voeren.

“We meenden ze te verkopen”, zei mijn vader. “Dat was een idee van Willem Vroegh en dat idee kon-ie hebben omdat-ie vrijaf had, door die tbc.”

Heeft hij het gehaald? Ja, hij heeft het gehaald. Een ijzersterke voorman was dat naderhand.

    • Koos van Zomeren