PvdA wordt geteisterd door eigen criticasters

Het was een tamelijk triest gezelschap dat zich gistermiddag om de discussietafel van het NOS televisieprogramma Het Capitool had geschaard. Daar zaten ze dan: Jan Schaefer, André van der Louw en Piet de Visser. Bekend en groot geworden als respectievelijk staatssecretaris, partijvoorzitter en Tweede Kamerlid. En nu allen niets meer. Ze waren gevraagd om te komen praten over de Partij van de Arbeid en dat doen ze, zoals bekend, graag. Eigenlijk is het hun club niet meer, de aversie jegens de partij is groot maar een mening over hoe het zo gekomen is en hoe het zou moeten, hebben ze altijd.

Zo ook gisteren. Wat in beeld verscheen was het probleem van de PvdA in optima forma. Drie heren van vroeger, boordevol frustratie, die in een half uur tijd elk op hun eigen manier het gelijk van de koffietent debiteren. Ging het over de problemen waarin de PvdA momenteel verkeert? Nauwelijks. Wat vooral uit hun monden viel op te tekenen was het woord “ik”. Alle drie hadden ze iets al veel eerder gezegd, geadviseerd dan wel ingezien om vervolgens de conclusie te kunnen trekken dat het daarom dus zo slecht ging met de PvdA. Het was eerder gênant dan informatief.

Maar het blijft niet beperkt tot Schaefer, Van der Louw en De Visser. De drie ex-prominenten staan in zekere zin model voor een heel bataljon "betrokken' criticasters dat zich nog net in of inmiddels net buiten de PvdA beweegt. Ze heten Bart Tromp, Sicco Mansholt, Jan Karel Gevers, Marcel van Dam, of nog anders. Nieuw is het niet, de PvdA wordt al van oudsher geteisterd door de "eigen gelijkjes'. Het heeft er mede toe geleid dat bij elke documentatie-afdeling in de categorie politiek het onderwerp PvdA voor de dikste mappen zorgt. Tevens hebben al die individuele opvattingen door de jaren heen van de PvdA een interessante partij gemaakt. Niet dat het in de praktijk tot veel anders leidde dan de oppositie, maar de PvdA was dankzij de vele meningen tenminste een partij met intern en bij tijd en wijle hoogstaand debat. Verkeerd gaat het pas als de eigen standpunten een rancuneuze ondertoon krijgen en dat is wat er nu gebeurt.

In veel analyses over de dreigende deconfiture van de PvdA wordt gezegd dat de partij het eigen electoraat onvoldoende heeft voorbereid op de pijnlijke keuzes waartoe het regeren leidt. En zeker, de cultuurschok die fors bezuinigende PvdA-ministers teweegbrengen, heeft een flink deel van de vertrouwde achterban verjaagd. Maar ten minste zo groot is de schok van de regeringsverantwoordelijkheid voor de "erkende' partijcritici geweest. Nu er telkens echte keuzes moeten worden gemaakt, keuzes die verder gaan dan een papieren amendement, valt de grenzeloze vrijblijvenheid van de eigen gelijkjes op. Dat mag natuurlijk, geprononceerde meningen zijn zelfs goed voor het debat maar de pretenties van de vaak zelf benoemde "opinion-leaders' in de PvdA gaan verder. Of het nu gaat om het illegalenvraagstuk, bezuinigingen of de kwestie Roel in 't Veld, elke keer is er weer dat vaste patroon waarbij het onvoldoende herkennen van de eigen opvatting direct wordt vertaald als zoveelste bewijs van het failliet van de PvdA.

Het debat over de snelle val van staatssecretaris In 't Veld is daarvan ook weer een illustratief voorbeeld. De omvang van de bijbanen en de daarmee verband houdende verdiensten van In 't Veld als hoogleraar waren voor minister Ritzen en PvdA-leider Kok aanleiding terug te keren op hun eerdere benoeming. Zij die beweren dat Kok en Ritzen met hun besluit inspelen op “allerlei onsympathieke ressentimenten” (Jan Karel Gevers) of de vragen uit de Tweede Kamer over het 'bijklussen' afdoen als “gewriemel” (Hans Ouwerkerk) hebben theoretisch gelijk. De nevenwerkzaamheden van In 't Veld gingen (bijna) geheel volgens de regels en was het Kok zelf niet die onlangs verklaarde geen voorstander van het "jaloeziemodel' te zijn.

Maar ga er maar aan staan als politiek leider: de helft van je aanhang reeds verspeeld, het verkiezingsjaar ingaan met een bezuinigingspakket waardoor de laagstbetaalden er al gauw drie procent op achteruit gaan, de studiebeurzen verlaagd worden en de bijstand voor mensen tot 27 jaar fors beperkt. En dan tegelijkertijd zitten met een als “kwaliteitsimpuls” gepresenteerde staatssecretaris van onderwijs die constant zal worden achtervolgd met zijn "zakelijk verleden'. Uitgerekend de man bovendien die met de universiteiten in de slag moet over bijbanen van hoogleraren. Is het zo vreemd dat een partijleider met desastreuze verkiezingen in zicht en tot die tijd niks leuks voor links in de aanbieding, niet ook nog eens op een dergelijk politiek risico zit te wachten?

Had Kok dat niet een week eerder kunnen bedenken, zeggen andere of dezelfde critici (inhoudelijke kritiek mondt meestal uit in kritiek op de procedure). Inderdaad, met goed politiek management heeft de gang van zaken rond staatssecretaris In 't Veld weinig te maken, hoewel het de vraag is of de term politiek management geen contradictie is. Bij het politieke bedrijf speelt de toevalsfactor en de waan van de dag nu eenmaal een grote rol, terwijl management toch enigerlei vorm van planning suggereert.

Kok heeft in de zaak In 't Veld vooral achteraf bezien fouten gemaakt. Had hij geweten hoeveel commotie de benoeming zou veroorzaken dan was hij er nooit aan begonnen, gaf Kok vorige week zelf toe. Een blunder dus, maar wel één waarvoor een verzachtende omstandigheid geldt. De PvdA had er immers belang bij dat bij alle opschudding die het gedwongen vertrek van staatssecretaris Ter Veld had veroorzaakt, zo snel mogelijk in de vacuture zou worden voorzien. In elk geval zou deze beoordelingsfout geen aanleiding moeten zijn om het leiderschap van Kok massaal ter discussie te stellen, zoals nu wel is gebeurd. Althans, dat suggereerden kranten, radio en televisie. Maar vervolgens meldden allen die over dat leiderschap gaan dat de positie van Kok niet één moment in discussie is geweest. Prangende vraag is dan wie nu eigenlijk het leiderschap aan de orde heeft gesteld? Waren dat in eerste instantie niet alleen de media?

De plotseling opgelaaide discussie over het politiek leiderschap van Kok heeft alles te maken met de interactie tussen media en politiek die Roel in 't Veld tijdens zijn acht dagen durende staatssecretariaat eerst verbaasde en daarna verbijsterde. Zijn aftreden was nog geen twee uur bekend of het journaal wist reeds te melden dat deze affaire het leiderschap van Kok verder had aangetast. Op wiens gezag werd dat eigenlijk gemeld? Natuurlijk komt de nieuwste fase in wat door sommigen "klusjesgate' wordt genoemd het leiderschap van Kok niet ten goede, maar dat is wat anders dan dat zijn positie daarmee acuut ter discussie is komen te staan. Maar als zoiets eenmaal rondzingt, is één druk op de knop voldoende bij degenen die daarop zitten te wachten. Dat wil zeggen: bij mensen als Mansholt, Schaefer, De Visser en Van der Louw. Zij die ooit misschien over dat leiderschap gingen, maar er in elk geval niet meer over gaan en zich daar nog steeds niet mee hebben kunnen verzoenen.

Jammer voor hen, maar Kok blijft partijleider en wordt lijsttrekker bij de komende verkiezingen. En zo hoort het ook. De kiezers hebben hem in 1989 gekozen, zij zullen ook straks over hem moeten oordelen. Pas daarna kunnen en moeten conclusies over het leiderschap van de partij worden getrokken.