Marathon met nieuwe Bang on a can-muziek fris, maar erg naëf

Marathonconcert Bang On A Can door Nederlands Blazers Ensemble e.v.a. Gehoord: 19/6 Paradiso, Amsterdam.

Terwijl Jane vastgebonden aan een paal angstig toekijkt, begint de ceremonie: woeste menseneters dansen opgezweept door slagwerk en extatische zang steeds wilder en wilder - waar blijft Tarzan toch? Dit waren tijdens een marathonconcert in het Holland Festival zo mijn associaties bij Lois V. Vierk's kitscherige maar wel amusante Red Shift uit 1991, het eerste Bang On A Can-stuk dat zaterdag in Paradiso werd uitgevoerd. Het begon als Europa versus Amerika, de tweedeling avant-garde en experimentele muziek, ook wel gekarakteriseerd als Uptown music (post-serieel) en Downtown music (met invloeden van pop, rock en exotica uit alle delen van de wereld).

Een combinatie daarvan (Midtown) wordt gecultiveerd door het festival Bang On A Can, al zes jaar lang de belangrijkste muzikale gebeurtenis in Manhattan's Lower East Side. Het beste van de afgelopen jaren werd nu van drie uur 's middags tot middernacht gepresenteerd: 45 musici speelden werken van 20 componisten.

Op hun best waren al die korte stukken fris en flexibel, vrolijk en vriendelijk, maar soms wel erg naëf, zoals Ingram Marshall's Fog Tropes, een eerbetoon aan de misthoorn in een zoetige plakplaatjesstijl, en vaak te onuitgewerkt zoals Julia Wolfe's Muscle Memory, gebaseerd op slechts het effect van een verstemmende gitaarsnaar, of Michael Gordon's Industry voor cellosolo dat wel heel primitief uitpakte. Gordon's The Low Octet (zijn eerste werk zonder versterking, halleluja!) is beter. Het begint geconcentreerd, maar verzandt op den duur, want wel vaker was de opzet leuker dan de uitwerking.

Het werk van David Lang beviel mij het best. In The Anvil Chorus, een hommage aan de smederij, flitsend trefzeker uitgevoerd door slagwerker Steven Schick - over de uitvoeringen viel zelden wat te klagen - is sprake van zowel energie als logica. Fraaie klankkleuren bedacht Lang in Are You Experienced een psychedelisch eerbetoon aan Jimi Hendrix in de vorm van een tubaconcert! Ook uit de vrolijke anarchie van Scott Lindroth's Relations to Rigor spreekt wel degelijk een zeker richtingsgevoel.

De melancholieke Canadees Rodney Sharman viel met een ingetogen In Deepening Light buiten deze kaders, er is bij deze componist geen "bang' te bekennen.

Teleurstellend was de goedkope werking van de beoogde integratie met wereldmuziek zoals uit India en Bali. Vierk bestudeerde Japanse muziek, maar zijn werk klonk als een slechte Pink Floyd, hooguit bruikbaar voor een Tarzanfilm. Maar ook van de integratie met de techniek had ik mij veel meer voorgesteld.

Als scherpe tegenstelling was er een typisch Europees avant-gardestuk: het 50 minuten durende De Namen der Goden voor twee piano's van Cornelis de Bondt. Zoals steeds bij deze componist is het gebaseerd op een complex computerprogramma. Het resultaat had iets weg van Peter Schat's dynamische Anathema (de doorwerkingspassage met zijn verwoestende akkoorden) naast Messiaen's statisch rituele klanken uit Visions de l'Amen. Een eenvoudige sample-techniek zorgt voor een quasi-godenpedaal als quasi-eeuwig doorklinkende toon, fascinerend en Faustiaans, alleen in zijn octaven te hol en pathetisch en in zijn lengte te veeleisend voor zowel uitvoerenden als luisteraars.

Bang On A Can houdt wel degelijk rekening met de grenzen van het perceptievermogen, naar mijn smaak zelfs te veel.