"Je let op de aanbiedingen, zo komt Jan Splinter door de winter'; Hendrik-Jan Davids haalt eens op de vier keer hoofdtoernooi

Vandaag is in Londen de strijd begonnen om de Open Engelse tenniskampioenschappen. Wimbledon, het derde grand-slamtoernooi van dit jaar, is het gevecht van grootheden als Andre Agassi, Pete Sampras, Boris Becker, Michael Stich, Richard Krajicek en Stefan Edberg. Van Steffi Graf, Martina Navratilova, Gabriela Sabatini en Brenda Schultz. Maar ook van Hendrik-Jan Davids en een paar honderd andere anonieme spelers en speelsters van wie sommigen balanceren op de rand van het bestaansminimum. Over hoop en wanhoop, en de bewuste keuze voor onzekerheid.

LONDEN, 21 JUNI. Hij heeft juist de financiële pagina's van de krant doorgebladerd. Niet dat hij geobsedeerd is door geld, al wordt dat clichébeeld wel geschetst van tennissers. Hij heeft alleen wat belegd. Uit liefhebberij, want door zijn sport is hij altijd onderweg en als de rente keldert in de Verenigde Staten gebeurt of het kabinet valt in Nederlander hoort hij dat pas twee dagen later. Te laat om er adequaat op te reageren. Dus heeft hij noodgedwongen gekozen voor grotere fondsen met niet al te veel risico, minder spanning.

Gek genoeg speelt hij in zijn carrière niet op safe. Als dubbelspeler zou Hendrik-Jan Davids een goed belegde boterham kunnen verdienen. Hij won toernooien in Moskou en Rosmalen (met Paul Haarhuis), in Gstaad en Estoril (met de Tjechische Belg Pimek). Maar met zijn 24 jaar voelt hij zich nog te jong om zijn doel, een plaats bij de individuele top honderd van de wereld, vaarwel te zeggen. Dat zou een puur zakelijke beslissing zijn. Dan ontgint hij nog liever het terrein waar hij liever hoopt te slagen. Sleept hij zich van kwalificatieronde naar kwalificatietoernooi. Eens op de vier keer haalt hij het hoofdtoernooi en mag hij proberen in het veld met grote namen zijn slag te slaan. Meer punten voor de wereldranglijst te vergaren dan in die prologen van het grote werk mogelijk is. Want het puntensysteem in het tennis is vriendelijker voor de vedetten dan voor de grote laag onder die top.

In Wimbledon mislukte het. Hij strandde in de kwalificatie. Teleurgesteld is hij er niet lang over geweest. Zo gaat dat nu eenmaal in het leven van een tennisspeler. “Net als de beurskoersen. Op en neer.” Als je maar vertrouwen blijft houden, daar gaat het om. Zijn hoogste positie mag dan 232ste zijn geweest en dateren van juli 1989, hij is er van overtuigd dat het verschil in niveau tussen de toppers en spelers van zijn kaliber echt niet zo groot is. Als hij maar eenmaal de sprong heeft gemaakt naar de beste honderd, dan wordt het handhaven ook een stuk gemakkelijker.

Handhaven, vechten voor een vaste plaats in de top honderd. Aan prijzengeld genoeg verdienen om er behalve van te leven ook wat aan over te houden waarmee hij na zijn loopbaan "iets voor zichzelf kan beginnen'. Het zijn bereikbare doelen. Er is zelfs wel eens een tijd geweest dat hij grotere verwachtingen had van zijn tenniscarrière. Twee keer was de linkshandige speler uit de stal van Henk van Hulst Nederlands kampioen. Bij de 14-jarigen, nadat hij in de finale eerst de overigens pas twaalfjarige Richard Krajicek had verslagen, daarna bij de 16-jarigen. “Dan voel je je de koning te rijk. Al had ik toen nauwelijks internationale ervaring en wist ik heus wel dat een Nederlands kampioen nog geen kampioen van de wereld is.” Na zijn vwo, in een keer gehaald, besloot de Eindhovenaar voor het tennisvak te kiezen. Hij nam zich voor af te haken wanneer hij te lang zou moeten aanmodderen op het laagste niveau. “Er zijn jongens die zeven, acht jaar de satelite-toernooien aflopen. Iedereen moet daar beginnen, het is het laagste van het laagste. De omstandigheden zijn er slecht. Slechte hotels, slecht eten. Op een bepaald moment moet je daar uit zijn. Een man van 45 jaar stop je ook niet in jeugdherberg.”

Zo'n kleine twee jaar was hij actief op dat niveau, maar door het behalen van twee mastertitels vergaarde hij voldoende punten om door te schuiven. Niet echt veel, maar genoeg om er moed uit te putten. De eerste drie jaar, zegt hij, heeft hij het geluk gehad dat hij nog thuis woonde bij zijn ouders, dat hij in de auto van zijn vader mocht rijden die - als dat nodig was - de tank liet volgooien. Nu woont hij samen met een vriendin, kan hij net rondkomen van het prijzengeld dat hij met tennissen bij elkaar slaat. Grote sponsorcontracten heeft hij niet. Hij krijgt zijn materiaal (rackets van Wilson) en zijn kleding (sinds zijn dertiende van Adidas) en daar houdt het mee op. Een vetpot is het niet. Hij mocht vorig jaar dan weliswaar opgenomen zijn in het rijtje met tien best verdienende Nederlandse profs met een prijzengeld van 170.000 gulden, zo'n bedrag geeft een vertekend beeld. Dat er op sommige toernooien, zoals Wimbledon, meteen 25 procent belasting wordt ingehouden staat er niet bij. Dat hij hoge onkosten heeft ook niet. Hotels, vliegreizen. Eigenlijk net zo veel als de topspelers. “Als mensen niet naar mijn beroep vragen zal ik het niet uit mezelf vertellen. Want als je zegt dat je proftennisser bent denken ze meteen dat het geld met tienduizenden guldens tegelijk binnenkomt.” Niet bij Hendrik-Jan. Hij moet af en toe de electronische calculator er aan te pas om zijn onkosten te berekenen. Begin dit jaar speelde hij een toernooi in Qatar, daarna de Open Australische kampioenschappen en vervolgens in Dubai. Kosten: 12.000 gulden. “Dat moet je eerst maar zien terug te verdienen en het liefst proberen er iets aan over te houden.” Als hij naar Londen vliegt pluist hij uit wat het goedkoopste ticket is. Als 24-jarige kan hij nog gebruik maken van het jeugdtarief. Zijn reis naar de US Open in New York heeft hij al geboekt. Voor de vijftiende juni. Want dan gaf de KLM er voor 99 gulden een retourticket Londen bij. “Je let op de aanbiedingen. Zo komt Jan Splinter door de winter”, grinnikt hij.

Drie weken is hij nu in Engeland. Het toernooi van Queens gebruikte als voorbereiding op Wimbledon, vervolgens speelde hij het kwalificatietoernooi: 64 deelnemers voor acht plaatsen. Gedurende die tijd sliep hij met vijf Zuidafrikanen in een appartement dat ze gezamenlijk hadden gehuurd. Om de kosten te drukken. Inmiddels is hij verhuisd naar een klein hotel bij Earls Court. Een kamertje waar net een bed in kan staan, een kleine douche en een eigen toilet: 45 pond per nacht, een bedrag dat hij net kan dekken met de vergoeding die hij als deelnemer op Wimbledon aan het hoofdtoernooi van het dubbelspel incasseert. Als hij tijdig opbelt komt er zelfs een auto van de organisatie voor om hem op te halen wanneer hij naar het tennispark wil.

De week tevoren moest hij eerst nog naar het officiële spelershotel om van daaruit vervoerd te worden. Ach, als dubbelspeler heeft hij het zo slecht nog niet, wordt hij gewaardeerd voor de prestaties die hij heeft geleverd. Vorige jaar steeg hij naar een 41ste plaats op de wereldranglijst. Toch hoeven ze hem niet in de watten te leggen. “Ik ga terug naar af. Een paar treedjes lager.” Bewust de moeilijkste weg gekozen, dus er is geen reden voor medelijden. Hendrik-Jan Davids op Wimbledon. Niemand die het opvalt dat hij meedoet aan de klassieker van de tennissport. En een handtekening vragen ze alleen maar aan hem omdat hij een trainingspak aan heeft. Niet omdat hij Hendrik-Jan Davids is. Natuurlijk vraagt hij zich ook wel eens af of hij niet beter af zou zijn wanneer hij een vaste baan had, elke dag gezellig in zijn appartement in Eindhoven zou kunnen zijn. Dat doet elke tennisser. “Het lijkt me wel leuk om niet uit de koffer te hoeven leven, maar als het er op aan komt zou ik er toch moeite mee hebben.”