Gardiners Nozze is felle, echte komedie

Concert: Le nozze di Figaro van Mozart door The English Baroque Soloists en The Monteverdi Choir o.l.v. John Eliot Gardiner met Bryn Terfel, Alison Hagley, Rodney Gilfry, Pamela Helen Stephen, e.a. Gehoord: 19/6, Concertgebouw Amsterdam.

Wat een luxe, om in Amsterdam binnen een maand twee verschillende uitvoeringen van Le nozze di Figaro te kunnen zien, door twee van de belangrijkste Mozart-dirigenten van dit moment. In mei leidde Nikolaus Harnoncourt een reeks geënscèneerde voorstellingen in het Muziektheater, zaterdagavond was het de beurt aan John Eliot Gardiner, die na La Clemenza en Idomeneo (1990), Die Entführung ('91) en Cos ('92) in het kader van het Holland Festival in het Concertgebouw zijn semi-scènische Mozart-cyclus vervolgde.

De kwaliteit van Harnoncourts interpretatie, met zijn langzame recitatieven waarmee hij een rijkdom aan onvermoede details uit de partituur toverde, zijn orkestrale helderheid en voortreffelijke zangers, leek me voor Gardiner moeilijk te evenaren. Harnoncourt had het voordeel van een volledige enscènering op een echt podium, terwijl Gardiner zich, zoals ieder jaar, moest behelpen met een noodpodiumpje hoog achter het orkest, wat in de zaal aanvankelijk leidt tot problemen met de balans (zangers die maar moeilijk over het orkest heenkwamen) en slecht zicht.

Gardiner wist echter volledig te overtuigen. De zangers zijn uitstekend gecast, zowel in hun vocale prestaties als in het enigszins geëxalteerde acteren. Steeds beter maakt Gardiner, die naar het schijnt zelf verantwoordelijk is voor de regie, gebruik van de mogelijkheden die het Concertgebouw hem geeft om van de voorstelling een volwaardige opera te maken. Zo sprak Figaro zijn de aria Arite un po'quegl'occhi over de slechtheid der vrouwen ("Doe je ogen maar eens open domme en argeloze mannen') rechtstreeks tot publiek dat op de koorplaatsen langs de trappen zat en tot enkele orkestmusici die intussen onverschrokken doorspeelden, en werd het onlangs gerestaureerde orgel handig gebruikt als de kast waarin Cherubino zich verstopt om aan de graaf te ontkomen (de tl-verlichting in het orgel scheen prachtig door de orgelpijpen heen).

Ook muzikaal buitte Gardiner de komedie van Mozart en librettist Da Ponte helemaal uit. Het tempo lag hoger dan bij Harnoncourt en de toon was feller, zodat de humor meer aan de oppervlakte lag. Gardiner joeg wat sneller door de recitatieven (begeleid op een fortepiano, die minder analytisch klinkt dan een klavecimbel) heen, waardoor het verhaal af en toe een wat overspannen indruk maakte.

Veel van nuances die Harnoncourt aan het licht bracht, bleven in deze uitvoering onzichtbaar. Maar daar stonden weer andere subtiliteiten tegenover. De musici van The English Baroque Soloists waren, zoals altijd, perfect. De oude instrumenten lieten een rijkdom aan klankkleuren horen. De fraaie balans tussen de donkere strijkers en de nasaal klinkende blazers, gaf de begeleiding een warme ondertoon.

De verschillen tussen Gardiner en Harnoncourt zijn het gevolg van afwijkende opvattingen over het verhaal. Harnoncourt is door en door somber, zijn ondertoon getuigt van pessimisme over de menselijke verhoudingen. De ontmaskerde graaf vraagt weliswaar vergiffenis voor zijn misstappen, maar slechts omdat hij daartoe gedwongen wordt. In Gardiners recht-toe-recht-aan komedie klinkt het verzoek van de graaf "Contessa, perdono' (vergeef me) na de lange stilte als oprecht berouw. Dat mijn persoonlijke voorkeur, ondanks de feestelijke uitvoering van Gardiner, uitgaat naar Harnoncourt, is slechts een compliment aan de operacomponist Mozart, die twee zozeer verschillende interpretaties toelaat.