EG vervult ander Europa met bitterheid

Oost-Europa heeft de afgelopen weken, naarmate de vandaag begonnen EG-top in Kopenhagen naderde, wanhopiger verzocht om een signaal naar Oost-Europa - en liefst meer dan een signaal. In het Oosten zou de hoop plaats hebben gemaakt voor desillusie en groeit het gevaar dat het hele bouwwerk van de Oosteuropese democratie even snel instort als vier geleden dat van het socialisme.

Begin deze maand opende de Poolse premier Hanna Suchocka de barrage van de wanhoop. In een brief aan de Twaalf stelde ze dat de Poolse verwachtingen over de EG na de ondertekening van het associatieverdrag in 1991 “niet zijn waargemaakt”. Van de beloofde openheid in de handelsbetrekkingen is geen sprake, van integratie evenmin en de stimulans vanuit het Westen voor het pijnlijke hervormingsproces in Polen blijft uit.

Daarnaast stijgt het tekort op de handelsbalans met de EG dramatisch door EG-protectionisme - een ongelijkheid die volgens haar in tegenspraak is met de bedoelingen van het verdrag. Suchocka vroeg de EG in Kopenhagen “een duidelijke politieke boodschap” te formuleren waarin staat dat de Gemeenschap de Polen en andere geassocieerde landen ziet als toekomstige EG-leden.

Sindsdien is het niet meer stil geweest. Vooral de Visegrád-landen (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije) gaven uiting aan gevoelens van heftige desillusie en frustratie over de EG. Tien maanden geleden werden de leiders van de EG en die van Oost- en Midden-Europa het eens over de noodzaak om de aansluiting van Oost bij West voortvarend aan te pakken. De EG zou snel duidelijkheid verschaffen over de implementatie van de associatieprocedures, het Oosten zou hervormingen versneld doorvoeren en tariefbelemmeringen wegnemen.

De Visegrád-landen hebben zich aan hun beloften gehouden. De EG niet, zegt Béla Kádár, minister van buitenlandse economische betrekkingen van Hongarije. “Van de EG is geen enkel positief signaal gekomen. Wat er wel kwam was een negatief signaal; het EG-embargo tegen Oosteuropees vlees, zogenaamd op grond van ziekten in Oost-Europa. Dat signaal had een desastreuze symbolische uitwerking.”

Het vleesembargo leverde méér dan alleen verlies op, zegt Kádár. “Het was een krachtige aanmoediging van degenen in Hongarije die tegen de integratie met de EG zijn, de extreme nationalisten voorop. Die kregen het argument waarmee ze konden zeggen: "zie je wel, op Europa kun je niet rekenen. Het was stom en tragisch de Oosteuropese markt op te geven en ons op het Westen te richten, want het Westen bekommert zich niet om ons'.”

Het embargo, zegt Kádár, was de verkeerde boodschap. “En het was ook een terugkeer van de blokbenadering, want alle Oosteuropese landen werden gestraft omdat er in één land een veeziekte voorkwam.” Sterker: “Het was een belediging, want er was geen empirisch bewijs van een ziekte.”

De passiviteit - de onverschilligheid zelfs - van de EG ten aanzien van Oost-Europa en politiek schadelijke signalen als het vleesembargo leiden in het Oosten tot ontnuchtering over "Europa'. Kádár: “Toen twee jaar geleden dat associatieverdrag werd getekend, was er een gevoel van euforie. Hongarije was vrij, eindelijk! Nieuwe horizonten gingen open, we konden beginnen aan onze happy return to Europe. Die euforie is door alle vertraging en door het vleesembargo vernietigd. Ze heeft plaatsgemaakt voor boosheid en ontgoocheling. Hongarije is zijn onschuld over "Europa' kwijt. En als je je onschuld verliest, is het bijzonder moeilijk die terug te vinden.”

Zo groot is de desillusie dat de democratie in Oost-Europa gevaar loopt, waarschuwt Franciszek Morawski, de Poolse ambassadeur in Den Haag. “De democratie in Polen is een kasplantje dat gemakkelijk kan worden vernietigd. De transformatie van de economie sinds 1989 vergt van de bevolking geweldige sociale offers. Die doen pijn, vandaar dat een boodschap in Kopenhagen zo belangrijk is. De EG moet bevestigen dat ze ons als toekomstige lidstaten ziet. Moet een datum noemen waarop we kunnen toetreden. Moet ook werken aan een structurele relatie tussen Oost-Europa en de EG-instituten.”

De Hongaarse minister van buitenlandse zaken gaat nog verder; als "Kopenhagen' geen uiterste datum oplevert voor de toetreding van Hongarije - hijzelf dacht aan 1998 - “hoeft het voor de Hongaren niet meer.”

Morawski wéét dat Kopenhagen geen datum zal opleveren. De EG-ministers hebben dat immers op 8 juni in Luxemburg al laten weten. “En toch moet er een signaal komen. Anders wordt de sociale spanning in Polen gestimuleerd. Wij hebben onze markten opengegooid voor het Westen. Wij transformeren onze economie. Waar blijft de symmetrie? Waar blijven de EG-concessies?”

Die concessies ontbreken. De EG discrimineert Oost-Europa zelfs en niet zo zuinig ook. De EG heeft decennia lang vrijhandel, open grenzen en de afschaffing van subsidies gepropageerd. Nu de Oosteuropeanen zich tot die principes hebben laten bekeren, is het de EG die barrières opwerpt. Uitgerekend die produkten waarmee de Oosteuropeanen voor de dag kunnen komen, zoals staal, textiel en landbouwprodukten, onderwerpt het aan speciale tarieven en importquota. Bovendien worden anti-dumpingclausules naar believen en op dubieuze gronden toegepast om desgewenst elk Oosteuropees produkt te weren.

De Westerse consument is aantoonbaar de dupe van de door allerlei economische lobbies afgedwongen discriminatie. Een Brits onderzoek heeft uitgewezen dat werkelijke vrijhandel met het Oosten de EG-consument een jaarlijks voordeel van 4,5 miljard pond oplevert. Maar voor de Oosteuropeanen is de schade veel groter. De discriminatie frusteert de hervormingen, de sociale vrede en de politieke stabiliteit. Ze leidt tot wanhoop bij burgers en tot wanhoop bij politici. De Tsjechische minister van buitenlandse zaken Zieleniec: “Gedurende 45 jaar hebben we gehoord dat de vrijhandel een hoeksteen van de markteconomie is. Hoe moet ik onze boeren uitleggen dat we geen protectionistische maatregelen willen invoeren wanneer die boeren me wijzen op het protectionisme van de Westerse landen?”

De Roemeense wetenschapper Sorin Ducaru noemt de gang van zaken “een van de wreedste soorten van bedrog. “Het propageren en bevorderen onder Oosteuropeanen van de merites van de vrije handel, om hen vervolgens de mogelijkheden tot gebruikname van die voordelen te ontzeggen, is politiek inconsequent en huichelachtig.”

Morawski is het “honderd procent” met die conclusie eens: “Toen we dat associatieverdrag tekenden, waren we ervan overtuigd dat de markt open zou gaan. Die verwachting is niet uitgekomen. Wij hebben het IJzeren Gordijn opgeruimd en de EG richt een nieuw economisch Gordijn op, met protectionisme op talrijke gebieden en in vele sectoren.”

Morawski ziet twee oorzaken voor de stagnerende relatie tussen de EG en het Oosten. Enerzijds zijn er de sterke lobbies, anderzijds is er “het gebrek aan moed en verbeelding bij de Westerse politici.” Het Westen zou de gevaren die de Oosteuropese democratie bedreigen niet zien. “Wij hebben onder het communisme geleefd. Wij weten welke gevaren ons boven het hoofd hangen als het huidige bewind instort.”