De echte Burghers van Sri Lanka

Deze week verschijnt "Standplaats Sri Lanka', waaraan bovenstaand hoofdstuk is ontleend, bij uitgeverij Jan Mets.

We moesten en zouden wat gaan drinken met Wilhelm Woutersz, die we leerden kennen op de afdeling Informatie van het ministerie van buitenlandse zaken. Hij viel nogal op in dat rommelige kantoor tussen de donkere tengere vrouwen in sari's en de kleine mannen in hun kostuums met onberispelijke vouwen. Woutersz is lang, zijn schoenen zijn ongepoetst en hij draagt het hemd uit de broek.

Hij sprak ons aan omdat we Nederlander zijn. Wilhelm Woutersz is een Burgher, afstammeling van de Nederlanders die met schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie in Ceylon aankwamen. De Burghers vormen na de Singalezen, Tamils en moslims de vierde bevolkingsgroep op Sri Lanka. Woutersz wil ons alles laten zien: de forten in Matara en Galle, de Wolvendaalsche kerk, het Nederlandse museum in de Prinsenstraat in Colombo . . .

We spreken om vijf uur 's middags af in de Dutch Burgher Union, een oude Herenclub. Hoge plafonds, een donkere houten vloer, een groot biljart en diepe leren fauteuils. Aan de muur hangen portretten van oud-bestuursleden met namen als Van Kuylenburg, De Vos, Prins en Spittel. We zijn de enige gasten. Een ober wrijft traag de glazen.

Woutersz haalt een beduimeld boekje te voorschijn. “Dit is de Woutersz-stamboom. De eerste Woutersz kwam in 1689 op Ceylon aan”, zegt hij. In razend tempo passeren Woutersz' voorvaderen de revue. Hij is er trots op een Burgher te zijn. Tot voor kort konden alleen echte Dutch Burghers volwaardig lid worden van de club. Maar de vereniging leidt al jaren een kwijnend bestaan en daarom hebben nu ook Tamils en Singalezen toegang tot de sociëteit. “We gaan mee met de tijd. We waren vreemde vogels hier, maar we hebben ons aangepast”, zegt Woutersz weemoedig.

De Burghers vormden een gesloten gemeenschap. Nog tot ver in de 19de eeuw werden de kerkdiensten in het Nederlands gehouden. “Mijn oma kende nog Nederlandse versjes”, zegt Woutersz. Met zijn generatie is de kennis van de moedertaal uitgestorven. Woutersz weet niet of hij nog familie in Nederland heeft. Hij is er nooit geweest.

Dat geldt voor de meeste Burghers, zegt hij. Toch worden Nederlandse tradities in stand gehouden. De Burghers eten poffertjes. Ze vieren op 5 december Sinterklaas. “Dit jaar ben ik de Goedheiligman.”

De tweeënnegentigjarige Sylvie Keller woont sinds twee maanden in het Sint-Nicolaashuis. In het bejaardenhuis voor Burghers wonen vijfenveertig Burgherdames en een Burgherheer. EENDRACHT MAAKT MACHT staat er in het Nederlands boven de deur.

Mevrouw Keller moet lachen als we haar vragen hoe ze haar man heeft leren kennen. “Oh my goodness, ik weet niet of ik me dat nog kan herinneren”, zegt ze met krakende stem. Maar meteen daarop: “In de kerk. In de Wolvendaalsche kerk. Hij zong in het koor.” Het zou niet in haar zijn opgekomen met een Tamil of een Singalees te trouwen. “O nee, nee, nee.” Als een klein meisje proest ze het uit. “Mijn dochter was wel verliefd op een Singalees. Ze mocht van ons niet met hem trouwen. Ze is ongetrouwd gebleven.”

Toen mevrouw Keller jong was, waren er zoveel Burgherfamilies dat ze toen nog onder elkaar konden trouwen. Jongens en meisjes op huwbare leeftijd deden grand tours langs de families. Ze hadden diners in grote stijl. “De Burghers waren feestvierders. Onze huwelijkspartijen waren heerlijk.” Mevrouw Keller droomt weg op de versleten bank. “De gasten opgedoft en op chic. De bruiden zagen er sprookjesachtig uit.”

“Wij Burghers voelen ons nog steeds heel wat”, zegt de tachtigjarige Blanche van Driessen-Kalenberg spottend. Ze gaat naast haar vriendin op de bank zitten. Mevrouw Kalenberg draagt een sari. “Mijn stamvader kwam in 1760 als scheepsarts naar Sri Lanka, en ik voel me nog steeds Nederlands.” Ze zegt dat veel Burghers neerkijken op wat ze de "twijfelgevalletjes' noemen, de Burghers met gemengd bloed. “Dat is natuurlijk niet goed van ons.” Ze kijkt ons met pretogen aan. “Als christen moet je iedereen accepteren. Ik vind dat ik op mijn leeftijd moet omgaan met alle bewoners. We zijn allemaal gelijk.”

Op de vestingwallen wanen we ons in Nederland. Het water klotst tegen de basaltblokken. Beneden achter de wallen graast zwartbont vee. In de verte klingelt een kerkklok. De spits van de hervormde kerk torent uit boven de rode daken van de huizen langs de smalle straten. Nee, we zijn niet in een stadje aan het IJsselmeer. We zijn in Galle aan de Indische Oceaan. Tot de jaren vijftig was Galle een blank stadje. In die jaren trok tegen zonsondergang een stoet opgedofte Burghers en Engelsen over de wallen. De dienstmeisjes met de kinderwagens voorop, joelende kleuters voor hen uit. De dames en heren legden de wandeling van bastion Akersloot naar bastion Utrecht af in een rustig tempo. Na een rondje om de stad was men op de hoogte van de laatste roddels. Buiten de wallen woonden de "inlanders' in dorpjes verscholen tussen de palmbomen.

In het oude hoofdkwartier van de VOC uit 1864 drijft de familie Brohier het New Oriental, een groot koloniaal hotel. Naast de receptie hangen portretten van koningin Beatrix en prinses Juliana. Prins Claus bezocht het hotel jaren geleden. Hij werd op de trappen vereeuwigd. “De prins vond het hier heerlijk”, zegt Nesta Brohier. “Hij beloofde dat hij met zijn vrouw en kinderen terug zou komen. Maar ja, zij werd koningin. Daar is niets van gekomen.”

De sfeer in het hotel is voornaam. Overal staan antieke Hollandse scheepskisten, kasten en klokken. Aan de wand hangen oude landkaarten van Galle, van Amsterdam en zelfs een vergeelde foto genomen van een duintop bij West-Terschelling.

Het New Oriental is het laatste bolwerk van de Burghergemeenschap in Galle. Burghers hadden voor de onafhankelijkheid in 1948 aanzienlijke posities bij de overheid en het bedrijfsleven. Nadat in 1795 het Nederlandse gezag in Ceylon was verdreven door de Engelsen, bleven duizenden kolonisten achter. Zij waren niet langer de baas, maar ze werkten nauw samen met de nieuwe heersers. Voor de Engelsen waren de Burghers van onschatbare waarde omdat ze het land uitstekend kenden. Nadat het land onafhankelijk was geworden, vertrokken de meeste families naar het buitenland. Ze voelden zich niet langer thuis in Sri Lanka. Zeker toen het Singalees in 1956 werd ingevoerd als staatstaal, was voor veel Burghers de maat vol. “Dat was de taal voor de tuinman en de keukenmeid. Wij spraken Engels”, zegt Gordon Brohier. ,Veel Burghers gaven hun baan op omdat ze zich buitengesloten voelden. Ze vertrokken naar Australië of naar Canada.” Gordon is een paar jaar geleden teruggekomen uit Engeland. Hij leidt nu het hotel.

Na het vertrek van de Burgherfamilies sloeg de verloedering toe in Galle. “De nieuwe bewoners hebben minder oog voor het onderhoud van de stad. Natuurlijk hebben ze ook minder financiële middelen. Er wordt wel gerestaureerd, maar soms gaat dat helemaal mis”, zegt Gordon Brohier. Hij draagt een korte kakibroek en lange kousen aan zijn gebruinde benen. Brohier leidt ons rond over de wallen en door de smalle rechte straten van het stadje. “Ik heb een gevoel van trots als ik door deze stad wandel. Onze voorouders hebben dit toch maar gebouwd. Mijn moeder en ik voelen ons nu wel erg alleen.” Brohier neemt ons mee naar een oud huis om de hoek van het hotel. “Hier wind ik me dus verschrikkelijk over op: deze oud-Hollandse veranda met houten pilaren hebben de bewoners voor de helft dichtgemetseld met rode bakstenen!”

Later die middag drinken we sherry op de veranda van het hotel. Nesta Brohier schuift even bij ons aan. “Ik heb een dik achterwerk, hoor”, antwoordt ze als wij haar complimenteren met haar zeegroene jurk. En dan lachend: “Mijn kleindochter in Nederland zegt dat alle Nederlandse vrouwen dat hebben.” Ze vertelt enthousiast over haar bezoeken aan Nederland. “Het is jammer dat de Nederlanders mij zijn vergeten toen ze in de 18de eeuw uit Ceylon vertrokken”, besluit ze haar verhaal.

Haar zoon toont zich strijdvaardiger: “Nederlanders die hun oude dag in de tropen willen doorbrengen, roep ik op hier in Galle een huis te kopen. Samen kunnen we ons cultuurgoed in stand houden.”

    • Ede Botje
    • Fieneke Diamand