"Wij zien in Nederland getallen meer als bedreiging dan als steun'

Is het glorieuze Nederlandse volleybaltijdperk voorbij? Nee, zegt de nieuwe bondscoach voor voorlopig vier maanden, JOOP ALBERDA. Volgens hem kan Oranje in september best Europees kampioen worden. Als het team compleet is.

Zijn voorganger Arie Selinger was een man van de wereld. Hij werd geboren in Polen, groeide op in Israël en verhuisde later naar Amerika en nu is hij weer in Japan te vinden. Joop Alberda is gewoon een Fries die nog steeds in het noorden woont, tegenwoordig in Groningen. Een nadeel? De bondscoach vindt van niet. “Ik heb er geen last van.” De vraag verbaast hem eigenlijk. Het enige ongemak is, constateert hij, dat hij dagelijks zeven kwartier heen en zeven kwartier terug moet rijden naar en van de trainingszaal in Amsterdam.

Hij moest vroeger als speler van Lycurgus in uitwedstrijden tegen clubs als Starlift en Delta Lloyd al met het "boeren-syndroom' afrekenen. De tegenstander en zijn aanhang maakten dankbaar gebruik van de afkomst van de gasten. “Negeren en wachten tot je een keer wint”, luidt het devies van Alberda. Hij bestrijdt dat de meeste Nederlandse topcoaches uit het westen komen. Hij somt een aantal bekende collega-noorderlingen op: Vlieg, Kloosterboer, Gemser, Westerhof. “En zo kan ik nog wel een dag doorgaan...”

In het voetbal klopt het misschien wel, beseft Alberda. “Een volkssport als voetbal doet het goed in de grote steden. Dus het ligt voor de hand dat daar de meeste trainers vandaan komen. Dat is ook het lot van PSV. Dat zal nooit zo populair worden als Ajax of Feyenoord, zelfs niet als die ploegen op de twaalfde plaats eindigen. Het land is in tweeën verdeeld. Of je bent voor Ajax, óf je bent voor Feyenoord.”

Hij was op de sportacademie in Groningen klasgenoot van voetbaltrainer Hans Westerhof. “Een eerlijk en integer mens.” En daarom juist sneuvelde hij waarschijnlijk bij PSV, aldus Alberda. Hij beseft dat in een puur commerciële sport als voetbal de tolerantie en integriteit lager zijn dan in het volleybal. “Misschien was er niets aan de hand met Westerhof, maar moest er gewoon wat gebeuren. En dan is de keuze: óf twaalf spelers weg, óf de trainer.” Is hij blij dat hij voor volleybal heeft gekozen? Alberda: “Iedereen krijgt wat hij verdient.” Turnen was oorspronkelijk zijn sport. “Dat is een eenzaam, hard bestaan. Je bent urenlang alleen bezig.”

Westerlingen zijn vaak verbaal sterker, weet Alberda. Maar de 41-jarige Fries heeft ook wat dat betreft geen achterstand. Hij praat gemakkelijk, doet af en toe interessante uitspraken. “Sport is de meest gecultiveerde vorm van oorlog”, zegt hij. “Het heeft iets sterk militaristisch. De stokken uit de gymzaal zijn afgeleid van geweren. Het is goed dat sport er is. Het is een prima manier om grote volksstammen te kanaliseren. Het is toch beschaafd van ons om Duitsland in een partijtje voetbal te verslaan?”

Volleybal is volgens Alberda “super-gecultiveerd”, want de teams zijn gescheiden door een net en kunnen elkaar niet aanraken. “Contactsporten vinden makkelijker hun weg naar het volk. Kijk naar de populariteit van voetbal, basketbal. En boksen. Hoeveel boksen werd er in Barcelona niet aangeboden op televisie? Mensen worden er door geprikkeld. Het komt blijkbaar dicht bij hun primaire gevoelens.” Volleybal blijkt, weet Alberda, voor velen leuk om te doen, maar om het grote publiek op de tribune te krijgen zijn een heel hoog niveau en topresultaten vereist. Het Nederlands team slaagde er jarenlang in dat te halen, met het zilver van Barcelona als hoogtepunt. Een knappe prestatie dus. Alberda: “De ploeg was onze nationale trots. Er ontstond een sterk wij-gevoel.”

De belangstelling en waardering voor het volleybalteam is inmiddels sterk afgenomen. Dat komt door het gerommel na het olympische zilver. En door de resultaten. In de World League behaalde Oranje tot nu toe twee overwinningen en zes nederlagen. Het zou, aldus Alberda, een wonder zijn geweest als de resultaten veel beter waren geweest. Hij moet een nieuw team formeren. En dat doe je niet even. Vooral niet in het volleybal. Door het volle programma is er geen tijd om in alle rust te bouwen. Alberda: “Het moet allemaal en route gebeuren.” Het publiek heeft daar echter geen boodschap aan, weet de coach. Komend weekeinde wordt in Den Haag gewoon succes verwacht tegen Cuba. En volgende week in Amsterdam tegen China.

Alberda kijkt met andere ogen naar de verrichtingen op het veld dan het publiek. Hij ziet een team zich ontwikkelen, ondanks nederlagen, missers en vele wisselingen. Officieel is hij pas vijf weken aan het werk. “Een week voor de eerste wedstrijd ben ik begonnen.” Is hij tot nu toe tevreden? “Alles bij elkaar, ja toch wel.” Het antwoord klinkt aarzelend. Zo is het ook bedoeld. Soms wordt hij aangenaam verrast, soms juist niet.

Uit alle windrichtingen melden de internationals zich. Uit de hoogste klasse in Italië, uit de tweede divisie daar en uit de eigen Nederlandse competitie. Dat geeft verschillen in niveau, kennis en instelling. “Bij een aantal moest weer aandacht aan fundamentele dingen worden besteed. Hoe moeten je tenen staan, bijvoorbeeld.” Alberda heeft gemerkt dat er bij sommige spelers die de Olympische Spelen hebben meegemaakt sprake is van ongeduld. Die willen meteen weer winnen. “Ook al hebben ze in Barcelona bijna geen bal geslagen, toch identificeren ze zich met de zilveren ploeg. En die jongens eisen dingen van hun medespelers die nu nog niet reëel zijn.”

Alberda traint uren. Hij praat uren. Hij denkt uren na. “Het is heel zwaar”, bekent Alberda. En dan is er ook nog het lange en vele reizen naar China, Korea en straks weer naar Cuba. “Ach, dat is peanuts vergeleken met de echte problemen.”

De inzinking mag in de visie van Alberda niet langer dan een jaar duren. Anders verdwijnt de interesse van publiek en sponsors definitief. En misschien ook van de spelers, voorspelt de coach. Dan neemt bij degenen die in de loodzware Italiaanse competitie spelen misschien de animo af om voor Oranje uit de komen. “Want het is lullig om steeds weggeknald te worden als je daar voor iemand anders staat.” Maar de bondscoach is niet somber gestemd. “Als we straks compleet zijn is het reëel dat we bij het Europees kampioenschap in september voor goud gaan.” Een Europese titel zou er voor zorgen dat in één klap weer alle ogen op het volleybal zullen zijn gericht. Zelfs onder Selinger en Brokking werd die prijs nooit gewonnen.

Heel belangrijk zal de rentree van spelverdeler Peter Blangé en Ron Zwerver zijn. Niet alleen voor het niveau, maar ook voor de balans binnen het team. Alberda: “Die jongens zijn dominante figuren. Een groep zoekt naar de hiërarchie. Wie is de baas? Wie trekt de kar? Wie is de veldmaarschalk? Je hebt een slimbo nodig, een dombo, en ga zo maar door. Dat laat zich door de coach niet opdringen. Dat moet een team zelf uitvinden.”

Ook voor de band met het publiek is het van groot belang dat Blangé en Zwerver er straks weer bij zijn. “De populariteit van een sport wordt bepaald door de supersterren. Het tennis heeft er nu een stuk of vier. Dat merk je. Wil bijvoorbeeld golf hier echt populair worden, dan heb je een Nederlandse Bernard Langer nodig. Wij hadden Zwerver, Blangé, Avital (Selinger, red), en toch ook Posthuma. Daarom gaat het helemaal nog niet zo slecht met ons. Met deze spelers erbij hadden we nu gewoon bovenaan gestaan.” Zwerver zal zich, mits men er financieel uitkomt, na zijn vakantie eind van deze maand bij de selectie voegen. Blangé herstelt van een operatie, maar heeft toegezegd er bij het EK weer bij te zijn. Alberda: “Ik heb hem net nog aan de telefoon gehad. Hij is er erg op gebrand.”

Posthuma heeft bedankt. En ook spelverdeler Avital Selinger keert niet meer terug. Hij wordt niet meer geselecteerd. Waarom eigenlijk niet? Alberda houdt voor het eerst in zijn urenlange relaas zijn mond. Het onderwerp ligt gevoelig. Dus kan hij maar beter niets zeggen. Waarom vertelt hij niet gewoon dat Avital te oud is? Alberda: “Nee, dat vind ik een klote-antwoord.”

Joop Alberda heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt. Het is niet de meest gunstige periode om volleybal-bondscoach te zijn. Hij krijgt misschien niet eens de tijd om er iets van proberen te maken. Want hij heeft voorlopig maar een contract voor vier maanden. Tot en met de Europese kampioenschap in Finland. Dat is een financiële kwestie. De volleybalbond heeft nog steeds geen nieuwe hoofdsponsor kunnen vinden. Toch begon Alberda aan het avontuur. Geholpen door zijn werkgever, de Universiteit van Groningen die hem onbetaald verlof gaf. “Misschien moet je het de ultieme uitdaging noemen.” En volleybal is “een soort zuurstof” voor hem.

Maar hij zou, zo stelt hij, waarschijnlijk niet tekenen als hem à la minute een contract tot en met de Olympische Spelen van Atlanta worden voorgelegd. “Ik denk het niet, nee.” Dan zou er nog veel moeten veranderen. Dat heeft met organisatie en geld te maken. En niet eens zo zeer zijn eigen geld. “Ik hoef geen miljonair te worden. Integendeel. Ik hoop dat ik het nooit word.” Nee, Alberda wil geld zien om een gedegen structuur voor de toekomst op poten te zetten. Hij stelde, als adviseur van de NeVoBo, aan het einde van vorig jaar met twee anderen een lijvig rapport op.

Alberda is een fanatiek analysator van wedstrijden en tegenstanders. Hij gebruikt veelvuldig de computer. De Amerikaanse topcoach Doug Beal deed regelmatig een beroep op Alberda's diensten. Zo werd de Fries verleden jaar opgetrommeld om Beal bij Milan te assisteren in de play-offs in Italië. “Ik vind getallen leuk, ben gebiologeerd door getallen.” Ze ondersteunen hem in zijn beslissingen, zegt hij. “Als ik via statistieken en videobeelden de tegenstanders heb geanalyseerd heb ik het gevoel dat ik in hun huid ben gekropen. Ik kan dan hun volgende actie voorspellen. Dat geeft me rust, prettig.”

Zijn gecijfer heeft Alberda ook kritiek opgeleverd. Hij zou, zegt zijn ex-collega Paul van Sliedrecht, coach van landskampioen Piet Zoomers Dynamo, de emoties uit zijn team halen en de spelers murw maken met statistieken. “Mijn spelers hebben nog helemaal niets van me op papier gehad, helemaal niets”, reageert hij. “Het probleem is dat wij in Nederland getallen en cijfers meer als een bedreiging dan als een steun zien. Maar de toppers in de sport zijn heel erg genteresseerd in statistieken. Moet je eens naar mijn spelers kijken als na een wedstrijd de cijfers binnenkomen. Dan gieren ze door de bus heen. Iedereen wil zijn persoonlijke scores weten. Logisch toch?”

Alberda zegt het “prachtig” te vinden dat de Italianen met koptelefoons en computers op de tribune zitten om proberen de spelpatronen van de tegenpartij te kraken. “Wat mij betreft is dat ook geoorloofd. Ik heb ook al gedacht aan een oortelefoontje voor de spelverdeler.” Hij wijst op het American Football waar elke ploeg verscheidene mensen op de tribune heeft zitten die gegevens doorgeven aan de hoofdcoach op het veld. “Die hebben hoog in het stadion een goed zicht. In het volleybal hebben de coaches de meest pokkige plaats. Achter het veld zou veel beter zijn.”

Hij hoopt er een tweede assistent bij te kunnen krijgen zodat Nederland net zoals de Italianen de tegenstander kan gaan 'bespioneren'. “Weet je dat ze hun computerprogramma voor zeventig procent van ons hebben gejat? Van mij en Volko de Jong, een software-specialist.” Het is de toekomst in het volleybal dat teams proberen de systemen van de tegenpartij te ontleden, zegt Alberda. “Via handsignalen aan de spelverdeler, maar er zijn nog tientallen manieren te verzinnen.” Alberda heeft het geluk dat hij bijna een lopende computer naast zich op de bank heeft zitten, assistent Pang. De Chinees kan vrijwel altijd voorspellen welk patroon de tegenstander gaat spelen. Dat is het resultaat van heel goed en heel lang naar een team kijken. “Een fantastische assistent”, aldus Alberda.

Elke trainer of coach werkt met statistieken en cijfers, weet Alberda. Ook zij die zeggen het te verfoeien. “Als een speler een fout maakt zet die coach ergens in zijn hoofd toch een krasje. Hij telt. Weer één. Een ander schrijft het op een bierviltje, of op een blocnote, en de laatste stap is de computer. Nee, ik overdrijf niet met die cijfers. Het is een ondersteuning voor me. Dat is alles. En je moet in de sport maar eens alle cijfers weghalen, tot aan de uitslag toe, dan is er helemaal niets meer aan!”

Joop Alberda moet gek zijn van Amerika, het land van de statistieken. “Nee hoor, ik ben nog nooit in Amerika geweest”, zegt de bondscoach.

    • Hans Klippus