Wat Wim Kok had kunnen en had moeten zeggen

“Een bekend spreekwoord zegt: zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Vergeeft u mij dat die woorden mij te binnen schoten toen ik deze week op werkbezoek in de Oekrane werd gebeld over de problemen omtrent vroegere bijverdiensten van staatssecretaris In 't Veld. De geografische afstand en het sociale contrast maakten dat ik een aantal problemen in eigen land scherper ging zien.

“Toen professor In 't Veld amper twee weken geleden door Hare Majesteit was benoemd op onderwijs, waren staatssecretaris Wallage, die naar sociale zaken doorschoof, partij-voorzitter Rottenberg en ik het er over eens dat wij het kabinet en het Partij van de Arbeid-smaldeel daarin een kwaliteits-impuls hadden gegeven. De afgelopen dagen is twijfel gerezen aan de juistheid van die opvatting. Ten onrechte, naar ik u hoop duidelijk te maken.

“Toen hij werd voorgedragen kende ik In 't Veld persoonlijk niet goed, maar ik wist dat hij een PvdA-man met een uitzonderlijke mate van talent, denk- en werkkracht was. Het was mij bekend dat hij theorie en praktijk van het openbaar bestuur als geen ander kende. De collega minister op Verkeer en Waterstaat schakelt hem regelmatig in voor lastige klussen, variërend van de verzelfstandiging van de Nederlandse Spoorwegen tot de geluidshinder rond Schiphol en de toekomstige financiering van het openbaar vervoer.

“Uit al die velden heb ik nooit anders gehoord dan dat het gaat om een man met enorme inzet en creativiteit, die zijn hart bovendien, zoals wij sociaal-democraten graag zeggen, op de goede plek heeft zitten. Het kostte me dan ook weinig moeite onze eerste man op onderwijs, Jo Ritzen, ervan te overtuigen dat In 't Veld (die directeur-generaal voor het hoger onderwijs is geweest) een troef zou zijn als de nieuwe staatssecretaris op zijn departement. Gezien 's mans vroegere ervaring in Zoetermeer lag een zekere takenruil tussen Ritzen en In 't Veld voor de hand. Ritzen accepteerde die logica, zij het na enige nadenken.

“Het spreekt voor zich dat wij na de moeilijkheden die wij tijdens deze kabinetsperiode hebben gehad met de herkenbaarheid van onze partij, met name op het terrein van de sociale zekerheid, behoefte hebben aan rust. Wij willen laten zien dat wij nog steeds dè partij zijn voor wie afhankelijk is van het sociale vangnet. Zonder Partij van de Arbeid, zonder de partij van Drees, Den Uyl, en vergunt u mij de vrijheid, ook die van Wallage, Wöltgens en Wim Kok, zou dit land er anders uitzien. Wij zijn daar een beetje trots op. Ook nu het economisch danig tegenzit, en wij als overheid minder te verteren hebben, staan wij pal voor de bestaanszekerheid van de zwaksten.

“Maar wij stellen er evenzeer prijs op af te rekenen met het beeld van de PvdA als Partij van de Afgunst. Een realistische schatting van de werkelijkheid in de jaren '90 heeft ons geleerd dat de mensen, voor wie wij ons als eersten verantwoordelijk voelen, het meest gebaat zijn bij echt werk, dat wil zeggen bij een gezonde economie. Dat betekent ook: erkennen dat mensen verschillende talenten hebben, dat hun arbeid in een markteconomie een verschillende prijs opbrengt.

“Dat brengt mij bij de activiteiten van de heer In 't Veld. Na de bekendmakingen in het weekblad Vrij Nederland is deze staatssecretaris in de beklaagdenbank terecht gekomen. Alleen al het woord "bijklussen' beneemt hem de kans op een eerlijke discussie. Ik ga niet geheel vrijuit in dezen. Ik erken dat ik vorig jaar een ongelukkige vergelijking tussen "bijklussende' hoogleraren en bijstandsmoeders heb gemaakt. Dat was een demagogische opmerking. Ter verdediging kan ik hoogstens aanvoeren dat in onze partij - waar ik mij door dik en dun mee verbonden voel - lang een cultuur heeft bestaan die het menselijk tekort ontkende. En dus argwanend stond tegenover succes.

“Daar moeten we mee afrekenen. In het geval-In 't Veld betekent dat: erkennen dat het niet verkeerd hoeft te zijn dat een bestuurskundige, die van de meest uiteenlopende maatschappelijke problemen in een oogwenk de essentie kan aanwijzen, en zo iemand is In 't Veld, veel vraag naar zijn adviezen ondervindt. Sterker nog: wees blij dat onze beweging zulke mensen in haar midden heeft. Waarom zou het fout zijn dat een In 't Veld voor die schaarse diensten wordt betaald, zolang zijn baas niet klaagt over zijn prestaties? Ik kan u verzekeren, de universiteit klaagde niet: In 't Veld betaalde vorige jaar bijna anderhalve ton van zijn salaris wegens nevenwerkzaamheden terug en leverde desondanks een onderwijsprestatie van 209 procent. (Ze meten daar tegenwoordig alles.)

“Ik zal u nog wat vertellen: de hoogleraar In 't Veld was als hoogleraar al in de jaren '70 een pionier bij het aantrekken van opdrachten die voor onderwijs en onderzoek nuttig waren. De niet royaal gesubsidieerde universiteit verwierf zich daardoor extra middelen voor apparatuur, personeel en studiereizen. Tegenwoordig is "de derde geldstroom' een erkende levensvoorwaarde van universiteiten. Wat nu bijklussen?

“Het was allemaal Hollands nauwkeurig geregeld en verrekend. Zoals dat al jaren voor medische specialisten in academische ziekenhuizen geldt. En wat hij door zijn ongebruikelijk grote arbeidsprestatie extra verdiende, was keurig bij de belastinginspecteur aangegeven. Het woord "bijklussen' suggereert onoirbaar handelen, hebberigheid en bijverdienen in de tijd van de baas. Jaloezie is een slechte norm in de politiek.

“Tenslotte dit. Het is u, naar ik meen, bekend dat collega Ritzen twijfelde aan de "maatvoering' van In 't Velds nevenwerkzaamheden en de genoten honorering. Ik heb hem er op gewezen dat wij niet met twee maten moeten meten. Dat wij bewindslieden, uit een misplaatst schuldgevoel ons salaris beperkt houden tot ver beneden marktniveau, moeten wij weten. Maar wat In 't Veld als bestuurskundig adviseur én hoogleraar verdiende is minder dan wat wij menig secretaris-generaal op onze departementen in stilte betalen. Laten wij daar ook eerlijk voor uitkomen.

“Ten slotte heb ik Ritzen herinnerd aan het feit dat hij als ex-collega van In 't Veld al jaren kon weten hoe diens werklast er uit zag en welke regelingen daarvoor met de universiteit waren getroffen. Zeker toen hij de voordracht van In 't Veld parafeerde, diende hij alles te weten. Ik heb hem gezegd dat hij nu de rug maar even moet rechten. Ik wil u wel verklappen dat ik niet kon nalaten hem langs de neus weg te vragen hoe het kwam dat hij bij zijn eigen aantreden drie jaar geleden nog steeds (junior) hoogleraar A was in Rotterdam. Ik heb me wel eens laten vertellen dat Jo niet genoeg publiceerde. Hij adviseerde, meen ik, met graagte. Bijvoorbeeld het ministerie waar hij nu leiding aan mag geven.”