Uiteenspatten Japanse luchtbel versnelt economische metamorfose

Gaat Japan meer op het Westen lijken? Het land beleeft economisch moeilijke tijden. Voormalig vice-gouverneur van de Japanse centrale bank Takeshi Ohta ziet nog altijd een enorm groeipotentieel. Het vierde deel in een serie vraaggesprekken met topeconomen over de verandering van de wereldeconomie.

TOKIO, 19 JUNI. Tijdens de luchtbel-economie van buitensporige speculatie verloren de Japanse bankiers het zicht op de werkelijkheid. Bedwelmd door de al maar stijgende grond- en effectenprijzen voorzagen ze iedereen uitbundig van geld. Toen de luchtbel uit elkaar was gespat, zaten ze opgescheept met biljoenen yens aan slechte kredieten, leningen waarover geen rente meer wordt betaald of die geheel oninbaar zijn. Takeshi Ohta, tegenwoordig vice-voorzitter van de grote Daiwa Bank heeft zijn les getrokken. De luchtbel-economie is volgens hem een kortstondige onderbreking geweest in een alomvattende herstructurering van de Japanse economie. Door zijn internationale ervaring trekt hij soepel paralellen met Amerika en Duitsland. Een dag voor hij naar New York vliegt om het afscheid te vieren van een oud-collega van de Federal Reserve, de Amerikaanse centrale bank, neemt hij de wereldeconomie door. Hij is vooral is gentrigeerd door de fenomenale opkomst van China en de veranderingen in zijn eigen land.

Gaat Japan meer op het Westen lijken, zal de roep van de Japanners om meer vrije tijd worden gehonoreerd?

“Japanners proberen revolutie te vermijden, Japanners prefereren evolutie. Twintig jaar geleden waren de banken nog open op zaterdag en was parttime-werken totaal onbekend. Nu zijn de scholen op twee zaterdagen per maand dicht en klagen huisvrouwen dat ze hun parttime-baan kwijtraken door de recessie. In dat opzicht gaat Japan meer en meer op het Westen lijken. Als je de Amerikaanse criteria aanlegt en de verborgen werkloosheid in Japanse bedrijven en onder huisvrouwen optelt bij de officiële werkloosheid, kom je misschien makkelijk op een verdubbeling uit van de beroepsbevolking. De drie typisch Japanse fenomenen - levenslange werkgelegenheid, wederzijds aandelenbezit en keiretsu, de hechte groepsvorming onder ondernemingen - zijn aan slijtage onderhevig. Keiretsu bestaat nog steeds, maar je ziet al wel een globalisering, een vervaging optreden, bijvoorbeeld bij toeleveranciers die werken voor Japanse én buitenlandse bedrijven.”

Verliest daarmee het Japanse eigendom aan betekenis?

“Het wederzijdse aandelenbezit begint te verwateren, groepen ondernemingen stoten belangen in bedrijven af die ze verwierven tijdens de luchtbel-economie, concentreren zich op hun kernactiviteiten. Maar bij hechte groepen als Mitsubishi of Sumitomo zie je nog geen veranderingen optreden. Als het gebeurt, dan heel geleidelijk.”

Zal Japan ooit de hoge structurele werkloosheidscijfers halen van Europa?

“Nee. Japan vergrijst het snelst van alle rijke landen. Bovendien heeft Japan nog altijd een groeipotentie van 3,5 procent, terwijl de bevolkingaanwas daar ver onder ligt. Structureel gezien heeft Japan een tekort aan arbeidskrachten in de komende twintig jaar.”

Zullen de alom geprezen Japanse managementsmethoden meer en meer met die van het Westen convergeren?

“Onze magagementsmethoden worden overschat. Voor zover ze eigen vinding zijn, zijn ze niet los te zien van de hechte verwantschap die Japanse werknemers voelen voor hun bedrijf. Maar doordat het principe van de levenslange werkgelegenheid bij de grote concerns aan betekenis verliest, zal dat zal niet zonder gevolgen blijven, zij het, ik beklemtoon het nogmaals, geleidelijk. Dat neemt niet weg dat het belang van het bedrijf voorrang zal blijven behouden boven de belangen van aandeelhouders. Ondernemingen zullen blijven proberen het dividend te minimaliseren en de ingehouden winst te maximaliseren om die weer in hun onderneming te investeren. Zo zie je bijvoorbeeld dat, in weerwil van de recessie, de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling relatief hoog blijven.”

Is in Japan sprake van een gewone recessie of van grote structurele veranderingen? Zijn de oorzaken en gevolgen anders dan in het Westen?

“De recessie in Japan is in wezen conjunctureel. Maar door de erosie van de financiële wereld is zij veel ernstiger dan verwacht. Speculatie gebeurde in de jaren tachtig ook in Engeland, in Amerika, maar opvallend genoeg niet in Duitsland, Zwitserland of Nederland. Waarom niet? Werd de speculatie in Japan en elders op gang gebracht door te snelle deregulering, te snelle globalisering, te snelle internationalisering van het bankwezen en door gebrek aan discipline onder ondernemers? Deze factoren hebben zeker een grote rol gespeeld. Toch blijft het verschil met landen als Duitsland opmerkelijk en ik weet er geen heldere verklaring voor. Opmerkelijk in de afgelopen speculatieve jaren in Japan was dat niet alleen consumenten zich diep in de schulden staken, maar dat, anders dan in deze landen, hun besparingen ook bleven groeien. Maar bij de ondernemingen is de financiële positie door excessieve leningen ernstig verslechterd en de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen uit het lood geslagen. Daarbij komt voor Japan nu als extra complicatie de stijging van de yen. Ik verwacht dan ook dat het herstel heel zwak, heel langzaam en heel geleidelijk zal zijn.”

Tekent zich al een trend af bij de structurele veranderingen in de Japanse economie?

“Bij de laatste recessie, na de explosieve stijging van de yen in 1987, is de herstructurering begonnen, maar die werd onderbroken door de daaropvolgende luchtbel-economie. Sommige bedrijven diversificeerden toen hun produkten, andere voerden hun export op of vestigden zich in het buitenland, voornamelijk in Amerika en in Europa. Veel bedrijven investeerden in onroerend goed in Amerika, Canada en Australië om kapitaalwinsten te behalen. Nu moeten ze opnieuw herstructureren, willen ze overleven, want dit keer is het ernst. Slagwoorden zijn rationalisatie, bezuinigingen, afvloeiing van personeel. Produktiecapaciteit wordt ingekrompen. Toenemende oriëntatie op produkten met hogere toegevoegde waarde heeft plaats. Bedrijven die zich nu meer en meer op het buitenland richten, concentreren zich niet op het Westen maar op Azië, vanwege de lage-lonen-landen en om te exporteren naar de reusachtige Aziatische markten. De Japanse ondernemingen waren de laatste paar jaar door de luchtbel behoedzaam geworden, maar ze hebben hun internationale strategie hervat en daarbij hun concentratie op Azië versterkt. Japan investeert weer volop in Azië.”

Welke rol speelt de fenomenale opkomst van China in die strategie?

“Een buitengewoon grote rol. De meeste Zuidoost- en Oost-Aziatische behaalden gedurende de jaren tachtig gemiddelde groeicijfers van acht procent. In de eerste helft door steeds meer naar Amerika te exporteren en in veel mindere mate naar Europa en Japan. In de tweede helft streefde Japan Amerika voorbij en werd Japan hun grootste importeur. Ook Europa rukte op.”

Maar al deze Aziatische landen zagen hun handelstekort met Japan toch almaar groeien?

“Hun export naar Japan groeide reusachtig, maar hun invoer uit Japan nog harder. Dat kwam doordat Japanse bedrijven die zich daar vestigden, zaken bleven doen met hun in Japan gevestigde toeleveranciers. Aan het eind van de jaren tachtig begonnen deze landen fors te investeren in hun eigen en in elkaars infrastructuur. Korea investeerde in Thailand, Taiwan in Thailand en Indonesië. Dat lokte weer onderlinge handel uit. China is nu aan de beurt. De "boom' in China is nu totaal verschillend van die in de tweede helft van de jaren tachtig. Toen liep de inflatie sterk op, nam het handelstekort fors toe en werden de inkomensverschillen steeds groter. Een ontwikkeling die culmineerde in de studentenopstand en de daaropvolgende anti-climax. Maar nu expandeert de Chinese export, stroomt het kapitaal toe van Chinezen in het buitenland en blijven de eerste levensbehoeften de - nu geringere- inflatie bespaard.”

Wat betekenen deze op Azië zelf gerichte veranderingen voor Japan?

“Japan zal zijn handelsoverschotten met al deze Aziatische landen geleidelijk, maar op den duur fors zien verminderen, terwijl zijn directe investeringen daar zullen groeien. Het tempo is afhankelijk van de strategie van Japanse bedrijven. Gaan ze daar investeren om daar hun produkten af te zetten of gaan ze daar investeren om hun produkten in Japan af te zetten?”

Zal het Westen zijn rol verliezen als afzetgebied voor deze landen?

“Absoluut niet. Hoewel de onderlinge verwevenheid van de economiëen in Azië sterk toeneemt, zal die nooit de hoge integratie bereiken van Europa. Neem China. De potentiële investeringsvraag is er ontelbare malen groter dan de besparingen. Daarom is het nu ook moeilijk te beantwoorden of China bijvoorbeeld Japan zal inhalen. China kan zijn reusachtige markt alleen voldoende tot ontwikkeling brengen als het buitenland er grootscheeps investeert en China zelf genoeg deviezen verdient met zijn export. Daartoe heeft China Amerika, Europa en Japan nodig. Ze vragen Japan nu al: open uw markten voor onze produkten, verkoop ons technologie, leen ons geld. China verschilt compleet van Rusland. Chinezen weten wat ondernemen is. Wat voor China geldt, geldt op veel kleinere schaal voor de andere Aziatische landen. De Aziatische economie als geheel zal een open handelsgebied blijven, sterk met het Westen verbonden en intern op een veel lager niveau gentegreerd dan zeg de Europese Gemeenschap. Een Fort Asia is uitgesloten.”

Zullen Japanse bedrijven hun krachten meer en meer bundelen met Westerse bedrijven of zal de rat race met het Westen doorgaan?

“We leven in een vrije ondernemerswereld. Het is een feit dat Japan Westerse technologie met succes commercieel weet toe te passen, maar dat zal almaar moeilijker worden. Dat neemt niet weg dat het Westen volop profiteert van dit Japanse succes. Het is geen éénrichtingsverkeer.”

Meneer Morita van Sony zegt dat Japan snel moet veranderen en zich moet conformeren aan de economische principes van het Westen, anders dreigt het Westen zijn markten te sluiten voor Japan. Bent u het met hem eens?

“Meneer Morita heeft in Japan een heleboel aanhangers. Hij heeft een invloedrijke positie in de Keidanren (de machtige Japanse ondernemerslobby, red.). Ik constateer dat feitelijk de aanpassing zich al aan het voltrekken is.”

Sommigen zeggen dat meneer Morita het Westen zand in de ogen strooit en dat Japan zich ondertussen helemaal niet aanpast.

“Zulke uitspraken zullen hem teleurstellen. Ik begrijp trouwens ook niet precies wat die mensen bedoelen. Sony is een leidende onderneming in Japan, maar Sony is een loner, heel anders dan Toshiba, Hitachi of Matsushita. Sony behoort tot geen enkele groep. Dat maakt dat Morita meer vrijheid heeft om zich uit te spreken. Hij is een goede advocaat, hoe zal ik het zeggen. Maar Sony is niet 'mainstream Japan', dat zijn Toshiba, Hitachi, Matsushita.”