Torenoffer bleek nog steeds dodelijk

Welke openingszet is het sterkst? Misschien dat over honderd jaar een supercomputer berekent dat 1. e2-e4 geforceerd tot winst leidt en alle andere zetten tot remise voeren. Tot die tijd blijft het gissen. Een opmerking die je vaak hoort is: ""Ik ben ervan overtuigd dat 1. e4 het sterkst is, maar ik speel altijd 1. d4, want dat ligt me beter op mijn oude dag.''

Nu heeft de wetenschap zich over dit vraagstuk gebogen. Een paar weken geleden stond in deze krant in de rubriek met proefschriftstellingen een stelling van J.J.R.M. Hermans, die promoveerde aan de Rijksuniversiteit Limburg. ""De huidige tendens dat er in de (schaak)-grootmeesterpraktijk meestal voor gesloten en half-open openingssystemen wordt gekozen, heeft niet zozeer te maken met het feit dat de open systemen inferieur zouden zijn, maar dient als een mode-verschijnsel te worden opgevat.'' Het lijkt me dat de jonge doctor graag zou zien dat er meer met 1. e4 werd geopend en dat deze zet dan niet met het Siciliaans of het Frans of een van de andere half-open systemen zou worden beantwoord, maar met het ongekunstelde en stoere 1...e5.

Ik maakte een kleine statistiek van de eerste acht ronden van het kampioenschap van Nederland en de uitkomst leek de heer Hermans gelijk te geven. 1. e4 deed het beter voor wit dan 1. d4, en het Siciliaans, 1. e4 c5, deed het heel slecht voor zwart. Statistische analyses van grote databanken van partijen geven weer andere uitkomsten. Ik geloof dat 1. d4 over het algemeen iets hoger scoort dan 1. e4, maar veel zegt dat niet. Het zou kunnen dat 1. e4 slechter scoort juist omdat het zo'n sterke zet is. Veel zwartspelers zijn er zo bang voor dat ze zich er tegen wapenen met specialistische systemen waar ze een leven van studie aan hebben gewijd, zoals Sosonko's Draak.

Hoewel ik de waarheid van de stelling van Hermans niet wil betwisten, is er toch iets aan dat me niet bevalt. Er lijkt een zekere minachting voor modeverschijnselen uit te spreken, die ik niet deel. Het is niet toevallig en willekeurig dat bepaalde openingsvarianten in de mode zijn. Meestal is het omdat ze de meeste ruimte bieden voor nieuwe ideeën. Wie het schaakspel met vernieuwingen wil verrijken, moet meedoen aan de mode (Als hij Kasparov is kan hij een nieuwe mode scheppen.). De oudere schaker ontwijkt de modevarianten. Het is meestal uit onmacht, omdat hij het debat slechts op een afstand gevolgd heeft. De varianten uit de oude doos die ik af en toe opdiep, zijn zeker niet slecht, maar je spel verschraalt als je niet in staat bent met de mode mee te gaan. Over het algemeen zijn de partijen met de modevarianten het spannendst en het rijkst aan inhoud.

In het boek Gedane Zaken wijdt J.H. van den Berg een metabletische beschouwing aan de theorie van de schaakopeningen. In 1747 schreef Philidor dat de pionnen de ziel van het spel zijn. Een onnatuurlijk principe, ingegeven door de tijdgeest, aldus Van den Berg. Zijn de officieren niet veel belangrijker dan de nederige pionnen? Toch won Philidor partij na partij met zijn principe. Het kon niet anders, aldus Van den Berg. In de tijd waarin de macht van adel en koning aangetast werd en de democratische revolutie in aantocht was, moesten op het schaakbord de pionnen de beslissing brengen, zoals in de eeuwen daarna het proletariaat de beslissing zou brengen in het wereldgebeuren. Philidors theorie triomfeerde, niet omdat ze juist was, maar omdat ze in de geest van de tijd was.

Even stoutmoedig is Van den Bergs interpretatie van de veranderingen in de openingstheorie na 1945. De tijd dat mensen als Botwinnik, Bronstein en Boleslavski nieuwe systemen bedachten. Het ging bijna altijd om systemen voor zwart. In nieuwe varianten van het Siciliaans en het konings-indisch probeerden de zwartspelers vanaf het begin het initiatief aan wit te ontworstelen en ze slaagden daar in, ook al was het eigenlijk niet in overeenstemming met de natuur der dingen, die het openingsvoordeel bij wit heeft gelegd. Alweer, het kon niet anders. Het was immers de tijd van de dekolonisatie van de zwarte volkeren. In die tijd moesten de nieuwe agressieve openingssystemen voor zwart wel tot succes leiden. ""De architecten van het gebouw van de United Nations, daar op Manhattan, zouden dadelijk voor tweemaal meer zetels plaats hebben gemaakt, hadden zij maar op het schaakspel gelet.''

Ik wil niet zeggen dat ik deze metabletische speculaties voor mijn rekening zou willen nemen, maar het leek me toch goed om er op te wijzen dat het ook uit metabletisch oogpunt praktische voordelen heeft om in de schaakopeningen de mode te volgen.

Als er een wereldkampioenschap openingen spelen zou bestaan, zou Genna Sosonko wereldkampioenskandidaat zijn. Met wit is hij een efficiënte moordenaar, als hij zwart heeft kan hij in de opening alleen verslagen worden door mensen die bereid zijn hem op te zoeken in het hol van de draak, met alle risico's van dien. Zijn grote kennis van de Siciliaanse drakenvariant is een preventief wapen geworden, dat nog maar zelden hoeft te worden toegepast. Men gaat er niet op in, men gelooft wel dat Sosonko een onaangename verrassing achter de hand heeft.

Jeroen Piket geloofde het niet in het Nederlands kampioenschap, vorig jaar niet en ook deze keer niet. En deze keer voltrok zich voor onze verbaasde ogen een zeldzaam gebeuren. De zo gevreesde openingsvoorbereiding van Sosonko bleek voor één keer geheel verkeerd te zijn geweest. Het wapen dat ongebruikt zo velen had afgeschrikt, was bot geworden.

Wit Piket - zwart Sosonko

1. e2-e4 c7-c5 2. Pg1-f3 d7-d6 3. d2-d4 c5xd4 4. Pf3xd4 Pg8-f6 5. Pb1-c3 g7-g6 6. Lc1-e3 Lf8-g7 7. f2-f3 Pb8-c6 8. Dd1-d2 0-0 9. Lf1-c4 Lc8-d7 10. h2-h4 Ta8-c8 11. Lc4-b3 Pc6-e5 12. 0-0-0 Pe5-c4 13. Lb3xc4 Tc8xc4 14. g2-g4 Dd8-c7 15. h4-h5 Tf8-c8 16. h5xg6 f7xg6 17. Kc1-b1 b7-b5 18. Pc3-d5 Pf6xd5 19. e4xd5 Lg7-e5 20. Dd2-d3

Over de diepere gronden van deze zetten zou Sosonko een boekenplankje kunnen volschrijven. Laat ik me er toe beperken te zeggen dat ze ook op het bord waren gekomen in de partij die Piket en Sosonko een jaar geleden tijdens het kampioenschap van Nederland speelden.

Zie diagram

Toen deed Sosonko 20...Tf8 en na 21. Th6 Tf7 22. Pe6 Lxe6 23. dxe6 Tf6 24. Tdh1 Tb4 25. Lc1 Dc4 26. Txh7 Txe6 27. f4 Lg7 28. b3 werd remise overeengekomen. Het algemene gevoel was dat er verbeteringen voor wit mogelijk moesten zijn en ongetwijfeld had Piket nu iets voorbereid, maar wat het was vertelt hij natuurlijk niet.

20...Dc7-b7 Sosonko is hem voor. Hij komt als eerste met een nieuwe zet, zoals bijna altijd. Een moeilijk moment voor Piket. Vorig jaar, tijdens de analyse na de partij, waren ze tot de conclusie gekomen dat de zet die Sosonko nu kiest zou verliezen wegens het torenoffer op h7. Toch speelt Sosonko hem nu, ongetwijfeld na huisstudie. Hij moest iets weten dat Piket niet wist. Wat te doen - de huisanalyse van Sosonko volgen of zich laten wegbluffen?

Piket dacht nog eens diep na, zag geen andere goede zet en speelde toch maar 21. Th1xh7, waarna volgde 21...Kg8xh7 22. Td1-h1+ Kh7-g7 23. Th1-h6 Tc8-g8 24. Th6xg6+ Kg7-h8 (24...Kf7 25. Pe6 Txg6 26. Pd8+) 25. Tg6-h6+ Kh8-g7 26. Pd4-e6+ Ld7xe6 27. d5xe6 Kg7-f8 (27...Dxf3 28. Th7+ met damewinst) 28. Dd3-f5+ Le5-f6 29. Df5-h5 en zwart gaf op, hij gaat mat.

Hij verbazingwekkende van dit slot is, dat het vorig jaar bijna precies zo op het bord kwam, tijdens de analyse. De al een jaar oude conclusie dat het offer op h7 dodelijk was, was juist gebleken. Sosonko moet in de studeerkamer het slachtoffer van een hallucinatie zijn geweest, maar welke die was, daar was hij begrijpelijkerwijs niet spraakzaam over.