SER blijft adviseren op hoofdlijnen

PAG.16 ACHTERGROND

DEN HAAG, 19 JUNI. De Sociaal-Economische Raad (SER) behoudt zijn bijzondere positie als belangrijkste adviesorgaan van het kabinet inzake het sociaal en economisch beleid.

Deze toezegging heeft het kabinet gisteravond gedaan tijdens overleg met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in Den Haag. Hiermee is het conflict tussen het kabinet en de sociale partners (werkgevers en werknemers) over de positie van de SER van de baan.

De onenigheid was ontstaan door het wetsvoorstel van de ministers van justitie en binnenlandse zaken om alle wettelijk geregelde adviesverplichtingen af te schaffen. Toegepast op de SER zou dat volgens de sociale partners neerkomen op uitholling van de overlegeconomie.

Het kabinet houdt wel vast aan zijn voornemen ook de adviesplicht van de SER uit de wet te schrappen. Maar daarvoor in de plaats komt een “ondubbelzinnige afspraak” met sociale partners dat de SER zijn positie behoudt als het gaat om adviezen op de hoofdlijnen van het sociaal-economisch beleid. Werkgevers en werknemers toonden zich tevreden over deze toezegging, al blijven ze voorstander van een hernieuwde wettelijke verankering van de adviesrol van de SER.

Kabinet en sociale partners werden het verder eens over de procedure die ze de komende maanden zullen volgen om “de oplopende werkloosheid door een gecoördineerde aanpak zo goed mogelijk op te vangen”, zoals minister De Vries (sociale zaken) het na afloop van het overleg uitdrukte. Een centrale rol hierbij speelt het advies dat de SER komend najaar moet uitbrengen over het sociaal-economisch beleid op de middellange termijn. Sociale partners streven ernaar daarin gezamenlijk aanbevelingen te doen over het werkgelegenheidsbeleid. Die aanbevelingen zouden dan tijdens het gebruikelijke najaarsoverleg met het kabinet kunnen worden omgezet in concrete afspraken. De drie vak centrales mikken daarbij op “een massieve aanval op de werkloosheid”, zei FNV-voorzitter J. Stekelenburg.

Ten slotte kwamen kabinet en sociale partners overeen elkaar voortaan drie keer per jaar te ontmoeten, bij voorkeur op basis van een economische analyse van de SER. Het kan in die bijeenkomsten (omstreeks februari/maart, juni/juli en oktober/november) blijven bij het uitwisselen van opvattingen. Ze hoeven niet per se tot afspraken te leiden, beklemtoonde voorzitter dr. A.H.G. Rinnooy Kan van de werkgeversorganisatie VNO. De Vries en Stekelenburg onderschreven dat. “Overleg is niet alleen een succes als er ook werkelijk afspraken zijn, en niet altijd mislukt als er geen afspraken zijn”, zei Rinnooy Kan, die in dit verband sprak van “nieuw realisme”.