Rijke wereld vreest voor vertrek van banen

In de gendustrialiseerde wereld bestaat vrees dat de werkloosheid verder zal toenemen door de aanzwellende concurrentie vanuit de lage lonen-wereld. Ook de snelle invoering van arbeidsbesparende technologieën en managementmethoden stemmen nerveus. Maar "technologie-optimisten' verzekeren dat dit alles zal leiden tot een gestaag stijgende levensstandaard.

“Die mensen zijn prima opgeleid en als je ze de juiste instrumenten geeft, ze aanmoedigt en motiveert, werken ze hard.” Percy Barnevik, president van Asea Brown Boveri, sprak afgelopen maart op het ABB-hoofdkwartier in Zürich bijna op jubeltoon over zijn 25.000 nieuwe werknemers in Oost-Europa. Sinds de desintegratie van het Sovjet-imperium kocht het Zweeds-Zwitserse ABB-concern dertig Oosteuropese bedrijven op en wist het gros binnen twee jaar winstgevend te maken. “Als je hun produktiviteit en kwaliteit naar westerse maatstaven weet op te schroeven, is werken in Oost-Europa ...met de daar gebruikelijke lonen...een fantastische propositie”, aldus Barnevik. “Zij doen nu het werk dat vroeger in West-Europa werd gedaan.”

Volgens de ABB-topman zullen meer banen - “tenminste in mijn industrie” - oostwaarts verdwijnen, niet alleen naar Oost-Europa maar ook naar Azië. “In een land als Thailand zaten we in 1980 met 100 mensen, nu met 2000 en tegen het eind van de eeuw zeker 7000.” Barneviks prognose: “De Westeuropese en Amerikaanse werkgelegenheid zal geleidelijk blijven afnemen, net als destijds in de landbouw.”

Barnavik is niet de enige onheilsprofeet. Neem de voormalige computermagnaat en ex-presidentskandidaat Ross Perot uit Texas die dezer dagen voor kapitalen zendtijd koopt op de Amerikaanse televisie om te waarschuwen tegen de Noordamerikaanse Vrijhandelsassociatie (Nafta). Die zal immers leiden tot een grootschalig wegstromen van Amerikaanse banen naar het aangrenzende Mexico waar een arbeider per dag evenveel verdient als zijn Amerikaanse collega per uur. Daar komt bij dat heel wat westerse concerns precies doen wat Percy Barneviks ABB doet, maar dat om politiek/sociale redenen niet zo aan de grote klok hangen. Zoals Philips dat de produktie van consumentenelectronica steeds meer wil verplaatsen naar lagere-lonenlanden als Hongarije, Polen, China, Maleisië, Indonesië en Mexico.

Behalve het verkassen van complete produktieprocessen wordt ook het uitbesteden van deelaktiviteiten en het elders aankopen van onderdelen -- het zogeheten "outsourcing' - een rage. Swissair laat tegenwoordig een goed deel van de boekhouding bijhouden door Indiase register-accountants in Bombay, terwijl de KLM weldra de arbeidsintensieve programmatuur zal uitbesteden in Maleisië of Thailand. Mercedes Benz maakt nu nog 50 procent van zijn onderdelen zelf en koopt de andere helft voor 90 procent in Duitsland. Het in de verdrukking geraakte concern wil nu de eigen onderdelenproduktie terugbrengen naar 30 procent en veel meer onderdelen elders in de wereld bestellen tegen een fractie van de Duitse prijzen.

Terwijl Boeing fors huishoudt in zijn Amerikaanse ingenieursbestand en tienduizenden mensen op straat zet, huurt de vliegtuigbouwer wel 300 Japanse ingenieurs voor zijn B-777 project en zullen weldra nog honderden technici uit Taiwan en Rusland worden aangetrokken. Wie teksten of nummers in de computer wil laten tikken, kan voor negentig cent per tienduizend karakters terecht bij "type-fabrieken' in de Filippijnen. Sindskort doen ze dat monnikkenwerk in China trouwens voor veertig cent.

In Jamaica werken duizenden mensen in zogeheten "kantoorparken', verbonden met de VS door schotelantennes. Zij verwerken allerhande ticketreserveringen en credit card-aanvragen van Amerikanen of handelen tariefvrije informatietelefoontjes af. En dat alles tegen een kwart van de in Amerika gebruikelijke beloning. Wie ergens vanuit de VS de firma Quarterdeck Office Systems in Santa Monica (Cal.) belt om informatie over zijn sofware kan een lichte klik in zijn telefoon horen en spreekt dan met een Ierse Quarterdeck-employé in Dublin die eenderde minder verdient dan een Amerikaanse collega. Ook talrijke Amerikaanse levensverzekeringen hebben het hardwerkende, goed opgeleide en goedkope Ierse arbeidsreservoir inmiddels ontdekt. In het Ierse gehucht Fermoy analyseren 150 employé's van het New Yorkse Metropolitan Life verzekeringsclaims uit de VS, en in het nabijgelegen gehucht Limerick controlen enkele honderden collega's polissen die in Amerika zijn afgesloten.

Pag 14: Drie miljard aardbewoners: wij willen er ook bij!

In Bangalore, een Zuidindiase stad met vier miljoen inwoners, streken sinds het begin van de jaren tachtig meer dan dertig westerse computer- en electronicafabrikanten neer. “Wij kwamen hierheen vanwege de enorme hoeveelheid talent”, aldus Richard Gell, lokaal manager van Texas Instruments. “Wij konden niet genoeg software-ontwerpers in Europa vinden en India produceert er meer dan het kan gebruiken.” Bangalore staat model voor tientallen andere steden in Zuid- en vooral ook Oost-Azië waar zich honderden westerse en Japanse bedrijven vestigden om er te profiteren van een ijverig, steeds beter opgeleid en zeer goedkoop arbeidsreservoir.

Economen van de Hoover Institution in Palo Alto (Cal.) spreken in dit verband over een "duale revolutie' met ingrijpende en permanente gevolgen voor de werkgelegenheid in de rijke gendustrialiseerde wereld. Enerzijds is er een technologische revolutie, zo zeggen zij, waarbij steeds betere en goedkopere computers en telecommunicatie het mogelijk maken om goederen en diensten te produceren - met hulpbronnen van overal, in een waar dan ook gevestigde bedrijven - die overal kunnen worden verkocht. Tegelijk is er een politieke revolutie: de desintegratie van het Sovjet-imperium, de liberalisering van Azië en Latijns Amerika, en het ontwaken van China. Deze omwenteling biedt de kapitaalrijke landen meer toegang biedt tot ongehoorde hoeveelheden goedkope arbeid, een toegang die juist door de technologische revolutie wordt vergemakkelijkt.

Is er dus een fundamentele verschuiving op til van de lokaties waar het werk op deze planeet wordt gedaan? Met alle rampzalige gevolgen van dien voor de tot nu toe rijke, gendustrialiseerde wereld? “Ik deel in hoofdlijnen de zorg over de gevolgen van een steeds meer globale arbeidsmarkt”, zegt directeur dr. H.A. van Stiphout van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (Osa)in Den Haag. “Temeer daar de consumptieve vraag voorlopig achterblijft bij dit nieuwe, massale arbeidsaanbod. Met andere woorden, wij zien het wegvloeien van economische aktiviteiten naar lagere lonen-landen terwijl de afzetgebieden aldaar niet evenredig expanderen. Daar zit een time lag tussen van 15 tot 20 jaar. Dus moet die nieuwe produktie voorlopig nog worden afgezet in het Westen. Dat is zorgwekkend.” Maar wordt die door Van Stiphout gememoreerde time lag eenmaal overwonnen, dan kunnen de baten voor de rijke wereld enorm zijn. Dat wordt al zichtbaar in de meer langdurige commerciële relatie tussen de VS en Mexico. Na tien jaar van handelsliberalisering en economisch herstel kopen de Mexicanen op jaarbasis nu tien miljard dollar meer in de VS dan in 1982. “Dat is goed voor 350.000 arbeidsplaatsen in de VS”, reageert de Amerikaanse econoom Rudiger Dornbusch, “veel meer dan het zo bejammerde vertrek van Amerikaanse arbeidsplaatsen naar het goedkopere Mexico. En dat is nog maar het begin want investeringen en economische groei staan bij onze zuiderburen nog in de kinderschoenen.” Soortgelijke kansen moeten er voor West-Europa in het voormalige Sovjet-imperium gloren. Bedenk wat de consumptie van meer dan 300 miljoen Oosteuropeanen voor de EG kan betekenen als hun lonen over één of twee generaties zullen zijn vertienvoudigd tot 2500 à 3000 gulden.

Ook voor wat de korte termijn betreft, hoeft de terechte zorg over de gevolgen van "globale' concurrentie niet uit te groeien tot paniek, meent Osa-directeur Van Stiphout. Zeker niet in Europa. “Daar opereren bedrijven in het algemeen vanuit een langer perspectief dan in de VS, investeren ze meer in hun personeel en zullen ze minder snel verkassen.” Daar komen volgens de Nederlandse arbeidsmarktexpert nog minstens drie "geruststellende' factoren bij. Allereerst zijn de wereldmarkten door voortdurend protectionisme nog steeds minder global dan wel wordt gedacht. Verder zijn de arbeidskosten in delen van de industrie van ondergeschikt belang geworden. Zoals in de chemienijverheid waar zij nu minder dan een kwart van de totale kosten uitmaken. En tot slot moet je met je produkten soms dicht bij de markt zitten om veranderingen snel te kunnen aflezen en verwerken.

Maar al blijven veel bedrijven om welke reden dan ook gewoon doorwerken op hun oude stek in de gendustrialiseerde wereld, dan nog groeit onder druk van de "globale' concurrentie de noodzaak om steeds efficiënter te werken en meer te produceren met minder mensen. Al weer met alle twijfelachtige gevolgen van dien voor de werkgelegenheid. Wie aan die noodzaak twijfelt, zou er goed aan doen Fortune's befaamde top-500 lijsten van Amerikaanse, Europese en Japanse bedrijven te bekijken en de vermelde omzetten af te palen tegen de personeelsbestanden. Dan wordt op zeer sprekende wijze duidelijk hoezeer de Europese omzetten per werknemer achterblijven bij die in de VS, en zelfs helemaal worden overklast door de hoofdelijke omzetten van Japanse en Koreaanse ondernemingen. Een spectaculair voorbeeld uit de auto-industrie: in 1991 maakten de Europese firma's Volkswagen, Fiat, Renault, Peugeot en Mercedes een gemiddelde omzet per werknemer van 167.000 dollar; de Amerikaanse bedrijven GM, Ford en Chrysler zaten toen op 202,000 dollar, maar de Japanners Toyota, Nissan, Honda, Mitsubushi Motors en Mazda op 455.000 dollar. De meeste Europese fabrikanten zijn sindsdien met een inhaalrace begonnen. Dat is ook nodig gezien de verwachte vloed van Japanse auto's - deels uit Japanse fabrieken in Engeland - maar leidt wel tot pijnlijke massa-ontslagen. Andere industriële sectoren in West-Europa als de electronica, staal en chemie kampen met dezelfde achterstanden in produktiviteit per werknemer.

Tegelijk gaan de Europese bedrijven gebukt onder torenhoge lasten. Tussen 1978 en 1988 stegen de Westeuropese loonkosten met een gemiddelde van 6,4 procent per jaar, vergeleken met 3,4 procent in de VS en 1 procent in Japan. Behalve van de hoogste lonen genieten de Westeuropeanen van de kortste werkweken en langste vakanties. Resultaat: de hoogste arbeidskosten ter wereld die uiteraard worden afgewenteld op de consument, wat de Europese goederen weer duurder en minder concurrerend maakt. Dus daalde het EG-aandeel in de wereldhandel - volgens opgaven van de Europese Commissie - van 20 procent in 1980 naar 16 procent nu.

Met een overschakeling naar nieuwe, high tech-groeisectoren, zoals computers, halfgeleiders, kunststoffen, biotechniek of vloeibare kristallen, kunnen rijke landen nieuwe terreinen exploreren en de concurrentie uit armere landen voorblijven. Maar ook op dat punt dreigt Europa de boot te missen en trekken Japan en de VS deze nieuwe groeipolen in meerderheid naar zich toe. Toshiba verkoopt meer halfgeleiders dan Philips, SGS-Thomson en Siemens samen. En ondanks al zijn problemen doet IBM het in Europa nog steeds beter dan Europa's toptrio Bull, Olivetti en Siemens-Nixdorf. De Westeuropeanen importeren nu vier keer zoveel high tech-produkten dan ze exporteren. Eind achttiende eeuw ontketende de Brit James Watts met zijn stoommachine de industriële revolutie en maakte daarmee van Engeland een wereldmacht, schreef Konrad Seitz in zijn recente boek "Die japanisch-amerikanische Herausforderung'. Aan het eind van de negentiende eeuw namen de VS en Duitsland met de uitvinding van drie nieuwe technieken - electra, verbrandingsmotor en chemie - de leiding over. Aan het einde van de twintigste eeuw staan we voor de informatierevolutie, waarbij Japan en de VS het voortouw nemen. Seitz: “Schreitet der "Weltgeist' vom Atlantik weiter zum Pazifik?”

Een pluspunt in deze duisternis is dat de Europeanen hun problemen steeds meer onderkennen en dat kan een begin van herstel betekenen. Meer en meer lijkt er een consensus onder Europese zakenlieden en politici te ontstaan dat agressieve interventies nodig zijn om het concurrentievermogen van de Europese Gemeenschap te herstellen en te voorkomen dat de huidige laagconjunctuur leidt tot een permanente neergang.

Daarbij gaat het allang niet meer om tijdelijke maatregelen om de produktiecapaciteit van bedrijven aan te passen aan de tijdelijk gedaalde afzet. Het gaat veel meer om structureel snoeien in een poging permanente achterstand in produktiviteit in te halen. Zo was Philips' operatie "Centurion' natuurlijk veel meer dan een conjuncturele ingreep. “Wij zijn 30 procent minder produktief geworden dan onze Japanse concurrenten”, klaagde onlangs chef-econoom Peter-Rudiger Puf van Mercedes Benz tegen de Wall Street Journal. “Wij moeten die kloof dichten, wat banen zal kosten. Doen wij dat niet, dan zullen wij nog meer banen verliezen.” Eind volgend jaar zullen er 30.000 Mercedes-employees minder zijn.

Daar komt nog een niewe ontwikkeling bij - sommigen spreken zelfs over "rage' of "religie' - namelijk process re-engineering, een methode die niet alleen door kwakkelende maar ook steeds meer gezonde bedrijven in de VS en West-Europa wordt benut om de produktiviteit drastisch te vergroten. Is dit weer één van die vele opzwepende managementrecepten die tegenwoordig als paddestoelen uit de grond plegen te schieten? Managementexperts als Peter Drucker en leiders van heel wat topbedrijven geloven van niet. Zij voorspellen re-engineering een veel verder reikende invloed dan de gebruikelijke kretologie uit managementgoeroeland. Het re-engineering concept werd bedacht door Michael Hammer, een voormalige computerprofessor van het MIT. Hij stelde in de jaren tachtig vast dat bedrijven weliswaar voor ongetelde miljarden aan nieuwe computers, robots en telecommunicatie aanschaften, maar er vervolgens oude, weinig efficiënte werkprocessen mee automatiseerden. En dan klagen over teleurstellend rendement! Dus raadde hij die bedrijven aan een blanco stuk papier te pakken, daarop nieuwe, meer bij de computer passende werkprocessen te ontwerpen - waarbij wordt afgestapt van antieke noties als "arbeidsverdeling' en "hiërarchische controle' - en diè te automatiseren.

In de meeste bedrijven en organisaties - zo luidde Hammers redenering - gaan orders en projecten op en neer door de managementlagen, en heen en weer door de gespecialiseerde departementen met hun eigen funkties. Wat ongelofelijk veel tijdverlies en verspilling oplevert. Maar in Hammers "gere-engineerde' organisatie zijn de voorheen gescheiden taken en funkties - bij voorbeeld: ontwerp, engineering, produktie, marketing, boekhouding - vervangen door naadloze "processen' onder de hoede van één en dezelfde procesbeheerder. Alleen of met zijn team handelt hij met hulp van de moderne electronica zo'n heel proces van begin tot einde af.

Re-engineering werd met spectaculair succes doorgevoerd bij afdelingen van grote bedrijven als IBM, AT & T, Chrysler, Citicorp en Bell Atlantic waar een internationale telefoon/fax-aansluiting nu in uren in plaats van weken wordt geregeld. Ook in Europa en Nederland doet de re-engineering zijn intrede. Zoals bij de Rabo Bank waar zegsman C.Boutens uitlegt: “Destijds zijn oude, handmatige processen geautomatiseerd met alle inefficiëntie vandien. Die gaan we er nu uithalen. Vroeger was het werk in funktionele hapjes verdeeld. Dat wordt nu aan elkaar gekoppeld. Het werk wordt proces-gericht in plaats van taak-gericht. Het is een verandering in ons denken die is ingegeven door de automatisering.” Bij de Rabo gaat dat de komende drie à vier jaar tegen de 3000 arbeidsplaatsen kosten op een huidig totaal van 38.000.

Tot nu toe zijn de potentiële gevolgen van de re-engineering - van produktiviteitsexplosie tot massale uitstoot van arbeid - goeddeels aan de aandacht van beleidsmakers en gezagsdragers ontsnapt. Volgens technologie-pessimisten kan re-engineering de komende twintig jaar echter een groot sociaal probleem worden. En een toch wel serieuze krant als de Wall Street Journal waarschuwde onlangs dat dit verschijnsel uiteindelijk 25 van de 90 miljoen Amerikaanse banen kan gaan kosten. Maar technologie-optimisten blijven er van overtuigd dat re-engineering en andere vormen van produktiviteitsverbetering uiteindelijk zullen leiden tot lagere prijzen, grotere vraag, een hogere levensstandaard, en daarmee de basis zullen leggen voor nieuwe generaties van banen. Gedeeltelijk kunnen deze scherp tegengestelde meningen worden verklaard door verschillende "agregatie-niveaus' - praten we over een bedrijf, een branche of een hele economie? Hebben we het over een korte, middelbare dan wel lange termijn? Zo kan innovatie binnen een bedrijf de omzet en werkgelegenheid daar vergroten, maar tegelijk in de branche als geheel banenverlies opleveren. Verder plegen klassieke economen er op te wijzen dat de invoering van arbeidsbesparende machines en werkmethoden tijdelijk werkloosheid kunnen veroorzaken omdat zij meestal schoksgewijs beschikbaar komen. Maar op langere termijn, zo verzekeren deze economen, verdwijnt die werkloosheid omdat er meer arbeid nodig is voor het produceren van nieuwe kapitaalgoederen en omdat er door lagere prijzen van produkten een grotere vraag ontstaat.

Uitgesproken pessimistische en optimistische visies gaan ook samen bij de beoordeling van de vraag of de al eerder genoemde "globale' of mondiale concurrentie gunstig of ongunstig is voor de werkgelegenheid in de rijke wereld. "Nee', zullen zonder twijfel werknemers van Hoogovens of DSM roepen die in de knel raken door goedkope importen uit Oost-Europa. Maar wie op macro-niveau vaststelt dat er 1,2 miljard Chinezen en een half miljard Oosteuropeanen bij willen komen op de wereldmarkten, plus nog eens 900 miljoen Indiërs die zich tot nu toe verscholen achter staatssocialisme, en 400 miljoen Latijnsamerikanen die ooit in importsubstitutie geloofden, kan een geval van opwinding en optimisme moeilijk onderdrukken: drie miljard mensen - ruim de helft van de aardbewoners - die nu zeggen: stop de wereld, wij willen er ook bij!