Psychiater mag niet voor rechter spelen

Artikel 18 van de Wegenverkeerswet biedt de mogelijkheid om mensen aan wier geschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig twijfel bestaat, aan een onderzoek te onderwerpen. Hoe zo'n onderzoek gedaan moet worden, laat de wetsbepaling aan de minister van verkeer over. Het kan om een nieuw rij-examen gaan, maar ook om een medisch onderzoek. Luidt de conclusie van een medisch deskundige negatief, dan kan de minister het rijbewijs van de betrokkene intrekken. Voorgoed.

Op 21 mei meldde deze krant dat minister Maij er voorstander van is om psychiaters zo'n onderzoek te laten verrichten bij verkeersdeelnemers die herhaald verkeersdelicten begaan. In 1992 werden 2500 rijbewijzen langs deze weg ingetrokken en er bestaat “een speciale projectgroep van het ministerie die de politie stimuleert om meer automobilisten voor te dragen” voor zulke geschiktheidskeuringen door psychiaters. De krant voegt er aan toe: “De minister hoopt volgend jaar tot de intrekking van 10.000 rijbewijzen te zijn gekomen.”

Deze gang van zaken roept vragen op. De meest voor de hand liggende is die naar de rechtsbescherming van de betrokkenen. De gang van zaken impliceert immers dat psychiaters straffen gaan uitdelen zonder tussenkomst van de rechter en zonder een mogelijkheid van beroep; de betrokkene kan weliswaar om een tweede onderzoek vragen, maar valt ook dat negatief uit, dan kan men voorgoed naar zijn rijbewijs fluiten. Het verweer tegen dit bezwaar ligt voor de hand: "Het gaat niet om een straf, maar om een administratieve maatregel.'

Maar op grond van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens mag men aannemen dat artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens impliceert dat ook bij het opleggen van administratieve maatregelen beroep op de rechter mogelijk moet zijn. Trouwens, het verliezen van je rijbewijs moge formeel een administratieve maatregel heten, door de betrokkene wordt het ervaren als een niet geringe straf. Die horen psychiaters niet op te leggen, daar zijn rechters voor. Dokters gaan over ziekte en gezondheid.

Minstens zo belangrijk is de vraag of psychiaters wel in staat zijn te beoordelen of iemand geschikt is om aan het verkeer te blijven deelnemen. Het gaat natuurlijk om het voorspellen van recidive. Kun je die voorspellen met het gebruikelijk psychiatrische instrumentarium van een gesprek van hoogstens een uur? Strikt genomen moeten wij het antwoord op die vraag schuldig blijven, want voor verkeersdelicten is dit nooit onderzocht. Dat feit alleen al maakt het ontoelaatbaar om psychiaters voor dit doel in te zetten.

Maar er is meer: naar het voorspellen van recidive bij andere delicten, in het bijzonder geweldsdelicten, is heel wat onderzoek verricht, omdat het van belang is bij het voorwaardelijk in vrijheid stellen van gedetineerden die zich aan geweldsdelicten hebben schuldig gemaakt. In sommige staten van de Verenigde Staten is zulk een voorspelling tevens van belang bij de beslissing of aan een pleger van een moord de doodstraf wordt opgelegd. Ook voor dat soort voorspellingen wordt een beroep gedaan op psychiaters en/of psychologen.

Onderzoek heeft echter bij herhaling aangetoond dat het klinische oordeel van zulke deskundigen nauwelijks beter is dan toeval. Maar actuariële voorspellingsmethoden bleken het wèl beter dan toeval te doen. Bij actuariële methoden wordt nagegaan of eenvoudig te verzamelen feitelijke gegevens - de lengte van iemands strafblad, de leeftijd waarop hij voor het eerst veroordeeld werd - statistisch significant samenhangen met recidive.

Voor geweldsdelicten bleek dat inderdaad het geval: de voorspellingen bleken beter dan toeval, maar nog altijd vaker fout dan goed. Zo vond men in 1978 in de staat Michigan dat men met behulp van eenvoudige, administratieve indicatoren kan onderscheiden tussen groepen voor geweldsmisdrijven veroordeelde gedetineerden, waarbij de groep met de slechtste prognose 40 procent kans had om te recidiveren en de groep met de beste prognose slechts 2 procent. Zou men besluiten om de groep met de slechtste prognose nooit voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking te brengen, dan is dat besluit altijd nog iets vaker fout dan goed. Dat maakt zo'n beslissing nog niet onaanvaardbaar, maar de beslissing welke risico's men bereid is te lopen, hoort in een rechtsstaat bij de rechter thuis, niet bij willekeurige particulieren.

Er is op dit terrein veel meer onderzoek gedaan en, afgezien van geringe variaties, zijn de uitkomsten eensluidend. In 1983 wendde in de geruchtmakende moordzaak "Barefoot versus Estelle' de American Psychiatric Association zich tot het Amerikaanse federale Hooggerechtshof met een schriftelijk advies, waarin werd uiteengezet dat voorspellingen door psychiaters van gewelddadige recidive vaker fout dan goed zijn en dat daarom door vakbroeders gedane voorspellingen door de rechters met grote reserve dienen te worden bezien, een bewonderenswaardig vertoon van verantwoordelijkheidsgevoel van deze beroepsvereniging. Dat neemt niet weg dat men in de Verenigde Staten nog steeds zonder veel moeite psychiaters kan vinden, die zich met grote stelligheid over de recidive-kansen van plegers van geweldsdelicten uitlaten.

Deze stand van zaken rechtvaardigt grote twijfel aan het door minister Maij voorgestane beleid om recidiverende verkeersdelinquenten in toenemende mate via psychiaters van hun rijbewijs te gaan ontdoen.

Wij zijn er op zichzelf geen tegenstanders van dat hardnekkige brokkenmakers in het verkeer en in het bijzonder mensen die met regelmaat dronken achter het stuur van hun auto worden aangetroffen blijvend aan het verkeer worden onttrokken. Maar zulke verreikende beslissingen dienen dan wel op juridisch correcte wijze en op feitelijk verdedigbare gronden genomen worden. De nu voorgestane gang van zaken voldoet niet aan die criteria. Minister Maij moet dat niet willen, psychiaters dienen zich daartoe niet te lenen.

Wat er moet gebeuren is een onderzoek naar de vraag of een actuariële methode te ontwikkelen is, die recidive bij verkeersdelicten beter dan toeval voorspelbaar maakt. Dat lijkt ons niet ondoenlijk. En vervolgens is het dan aan de rechter om te beslissen welk recidive-risico al dan niet aanvaardbaar is.