"Poetry moet permanent Europees centrum worden'; Dichter Joachim Sartorius berekende dat EG slechts 0,00016 procent van haar budget spendeert aan cultuur

ROTTERDAM, 19 JUNI. Poetry International zou zich moeten ontwikkelen tot een Europees centrum voor pöezie. Dat vindt de Duitse dichter en vertaler Joachim Sartorius. Er is naar zijn idee in Rotterdam een goede kennis van de internationale poëzie aanwezig, en de bestaande contacten zouden moeten worden gebruikt voor het opzetten van een ontmoetingscentrum op permanente basis.

De 47-jarige Sartorius heeft enig recht van spreken. Hij is sinds 1986 de leider van het befaamde kunstenaarsprogramma van de Duitse uitwisselingsorganisatie DAAD. Daarnaast was hij de afgelopen jaren voorzitter van de adviescommissie voor cultuur van de Europese Gemeenschap. Hij is een van de weinige mensen die kunstenaar zijn en zich tegelijk bezig houden met cultuurpolitiek.

Sartorius vindt dat er in Europees verband veel meer aan cultuur zou moeten worden gedaan. Vorig jaar baarde hij enig opzien met een groot artikel in het Duitse tijdschift Lettre International. Daarin berekende hij dat de Europese Gemeenschap slechts 0,00016% van haar budget uitgeeft voor cultuur, tegenover 65,3% die naar landbouw gaat. Het artikel, dat werd overgenomen in de Franse, Italiaanse en Spaanse editie van het blad, bracht de discussie over de vraag wat men in Brussel voor cultuur zou moeten doen plotseling in een stroomversnelling. Sartorius kreeg 400 adhesiebetuigingen en werd uitgenodigd voor verschillende televisieprogramma's.

In zijn Rotterdamse hotel, waar hij als gast van Poetry logeert, vertelt hij dat zijn artikel voortkwam uit frustratie over wat hij vijf jaar lang in zijn gevecht met de de Brusselse bureaucratie had meegemaakt. Niet alleen merkte hij dat de Europese Commissie nauwelijks in cultuur genteresseerd was: “De EG geeft jaarlijks 27 miljoen gulden aan cultuur uit, net zo veel als wat een klein theater in Duitsland jaarlijks kost.” Hij ontmoette ook weinig begrip voor wat cultuur is. In ontmoetingen met de Commissie kreeg hij het idee dat er twee totaal verschillende werelden tegenover elkaar zaten. “Het was een botsing van twee micro-kosmossen.”

Sartorius staat op het standpunt dat Europa geen behoefte heeft aan een echte cultuurpolitiek. “Er zijn al veel te veel politieken in Europa, op regionaal, stedelijk en provinciaal niveau.” Veel beter zou zijn te komen tot een onafhankelijk Europees Cultuur Fonds, dat bestuurd wordt door mensen uit de kunstwereld zelf. Zo'n Fonds zou in de eerste plaats aandacht kunnen geven aan de uitwisseling van grote groepen kunstenaars. Daarnaast zou het zich moeten bezig houden met cultuurbehoud. “We weten zo weinig van elkaar. Het gaat erom een gesprek op gang te brengen tussen de verschillende culturen van Europa, via personen.”

Volgens Sartorius gaat er nu veel te veel geld naar allerlei grote projecten, zonder dat de kunstenaars en schrijvers daar zelf veel wijzer van worden. “Als een Duits operagezelschap een paar gastvoorstellingen in Parijs geeft, kost dat drie miljoen mark, en het effect is gering. Hoeveel writers in residence kun je voor dat bedrag niet onderhouden?” Als voorbeeld voor een dergelijk stelsel van uitwisselingen wil hij niet speciaal zijn eigen kunstenaarsprogramma van de DAAD noemen. Dat is naar zijn zin nog te veel op eenzijdige uitnodigingen gericht. Hij ziet meer in zoiets als het Erasmusprogramma dat de universitaire wereld kent. “Dat werkt bilateraal. Als er een jonge regisseur uit Warschau of Lodz naar Amsterdam of Berlijn komt, zou er tegelijk een Nederlandse of Duitse collega van hem naar Polen moeten gaan.”

Joachim Sartorius heeft gezien dat er bij het Europese cultuurbeleid nu erg veel geld opgaat aan de organisatie. Hij pleit er daarom voor om, waar dat mogelijk is, gebruik te maken van bestaande netwerken. In dat kader noemt hij Poetry International als een gelegenheid die nu al als een netwerk functioneert, net als het festival voor moderne muziek in Metz. “Poetry heeft iets kosmopolitisch. In vijf dagen kom je in aanraking met een rijkdom aan verschillende psychische structuren en houdingen. Dat zou met steun van Europa een permanent karakter kunnen krijgen, met een secretariaat en een databank.”

De reikwijdte van een Europees cultuurbeleid wil Sartorius niet beperken tot de twaalf landen van de EG. Hij pleit ervoor zo snel mogelijk de landen van Midden- en Oosteuropa bij dit beleid betrekken. In de Europese Commissie stuiten dit soort ideeën echter nog op volledig onbegrip. “Onze adviesraad heeft eens voorgesteld om een volgende keer Boedapest of Praag als Culturele Hoofdstad van Europa aan te wijzen, om te laten zien dat Europa meer is dan alleen de EG. Maar in Brussel wordt nog zeer eng gedacht. Eerst moesten alle twaalf lidstaten aan de beurt komen.”

In het gesprek valt steeds weer de nadruk op de tegenstelling die er zou zijn tussen kunstenaars en ambtenaren. Ik vraag Sartorius naar zijn eigen positie. Hij is dichter, maar voor hij bij de DAAD kwam heeft hij veertien jaar als diplomaat gewerkt, en nu is hij, als directeur van deze organisatie, toch ook nog altijd een ambtenaar? Hij antwoordt dat hij nu eenmaal een inkomen nodig heeft. “In Duitsland bestaan geen dichters zonder beroep. Kijk naar Michael Krüger, die directeur is van een grote uitgeverij.” Het schrijven is voor Sartorius echter heel belangrijk. Tijdens zijn detachering in New York had hij de gelegenheid om contact te zoeken met Amerikaanse schrijvers als John Ashbery en Robert Creeley, die hij later zou gaan vertalen. En de laatste jaren schrijft hij met tussenpozen aan zijn gedichten, die nu gebundeld zijn in Sage ich zo wem (1988) en Der Tisch wird kalt (1992). Sartorius: “Ik was aanvankelijk erg bang om onder een brug te eindigen.”

    • Reinjan Mulder