Onderzoek: Antilliaanse jeugd minder crimineel

DEN HAAG, 19 JUNI. Antilliaanse en Surinaamse jongeren plegen niet de helft van alle straatroven in Amsterdam, zoals hoofdcommissaris Nordholt in februari meldde. Zij vormen hooguit een derde van de verdachten van straatroven.

Dat blijkt uit het onderzoek “Veiligheidsbeleid, berovingen van voorbijgangers”, dat dr. W. de Haan van het Willem Pompe Instituut voor strafrechtwetenschappen in Utrecht heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van binnenlandse zaken.

De Haan constateerde op basis van arrestantendossiers van de Amsterdamse politie uit 1991 en 1992 dat van alle straatrovers in Amsterdam 6 procent van Antilliaanse en 24 procent van Surinaamse afkomst is. Een kwart van de straatroven wordt gepleegd door Noordafrikanen, voornamelijk Marokkanen, 22 procent door verdachten met een Nederlandse nationaliteit en 24 procent door een restgroep, waarin 50 nationaliteiten zijn vertegenwoordigd.

Amsterdam Zuid-Oost geeft een ander beeld. Daar is het aandeel van de Antillianen en Surinamers in de straatroven respectievelijk 24 en 45 procent. De Haan noemt de uitlatingen van politiecommissaris Nordholt van Amsterdam “erg slordig”. De Antilliaanse jongeren zijn volgens hem onterecht als grootste groep straatrovers in Amsterdam aangewezen. In Amsterdam Zuid-Oost zijn zij een probleem, maar over de hele stad bezien niet.

Bovendien is de aanduiding “jongere” volgens De Haan onzorgvuldig. Hij beschouwt iemand onder de 18 jaar als jongere. Uit het onderzoek van De Haan blijkt dat in 1992 onder de jongeren die voor straatroof werden aangehouden, slechts 9 van Antilliaanse geboorte waren.